januari 2012

deel 7: De volheid van Christus: Zijn wijsheid


Schriftgedeelte:
“… die ons van God is geworden … wijsheid” (1 Cor. 1:30)
Referenties:
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)

De wijsheid van de Here Jezus is dat Hij weet dat Hijzelf de Wijsheid van God is. Hij is Zelf mens, verheerlijkte mens, maar niettemin honderd procent mens, "aan zijn broederen gelijk geworden" (Hebr. 2). Hij weet dat het nodig is om tot het niveau van de mens neer te dalen om Zijn hart met de mens te delen. Hij openbaart Zich aan "kinderkens" (Matt. 11). Hij zegt niet: "Probeer Mij maar eens te bereiken,” maar zegt: "Kom tot Mij..." Hij is een onvergelijkelijke Leermeester. "Leert van Mij," zegt Hij en daalt neer en begint op ons niveau, zonder enige voorwaarde te stellen.

De pas-als-dan-boodschap
Wij maken het onszelf soms nodeloos ingewikkeld. Omdat we de Here Jezus niet kennen, gaan we op zoek naar alternatieven en die vinden we maar al te gauw. We merken dat het ons ontbreekt aan de volheid van Christus en beginnen van allerlei wegen te bedenken voor het bereiken van die volheid. Het worden de "pas-als-dan-boodschappen": pas als we dit of dat bereikt hebben, dan zal de Heer..." Je hebt ze in twee vormen. De ene spreekt in termen van "meer" en "beter", zonder concreet te zijn. Deze boodschap werkt geestelijke verlamming in de hand. De andere spreekt in termen van stappenplannen: eerst de ene stap, dan de andere stap, en dan nog een tree hoger, totdat we de volheid bereikt hebben. Deze boodschap werkt frustratie in de hand. Er was eens een broeder die een "pas-als-dan-boodschap" aan het toepassen was en ontdekte dat het bij hem niet werkte. Hij gaf het bijna op, maar toen schoot hem de tekst te binnen: "Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijn.” Dat leek een opluchting te brengen. Hij deelde deze ontdekking met een andere broeder, maar die zei: "Je kunt pas tot de Here komen als je echt vermoeid en belast bent. Dan kun je de Here leren kennen in Zijn volheid. Je bent misschien nog niet vermoeid en belast, of nog niet genoeg vermoeid of belast, nog niet echt..." De eerste broeder zakte volledig in elkaar. Hij was vermoeid en belast, maar nog niet vermoeid en belast genoeg? Gelukkig herkende hij de valstrik. Hij gooide zijn aantekeningen in de vuilnisbak. Al die punten van het stappenplan kon hij toch niet onthouden. Hij zei: "Here, U heeft mij gekocht en betaald met Uw bloed. Ik ben van U. Ik ben in Uw hand, onder Uw zachte juk. Ik wil van U leren. U bent nederig en zachtmoedig van hart."

Een gekruisigde Christus
Paulus zegt: "doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods" (1 Cor 1:23,24). Hij zag allerlei problemen en misstanden in de Corinthe-gemeente en heeft ongetwijfeld veel gebeden over wat hierop het antwoord was. "Wat is Gods wijsheid in deze zaak?" moet hij gedacht hebben. "Christus en die gekruisigd", was het antwoord. De problemen en misstanden waren terug te voeren tot een kern: vlees of geest, vleselijk of geestelijk. Tussen die beide werelden staat de gekruisigde Christus. De Here Jezus heeft afgerekend met de mens als vleselijk wezen, de oude mens, en in Zichzelf de mens weer teruggebracht tot zijn oorspronkelijke staat van een geestelijk wezen. Paulus moet zich gerealiseerd hebben dat als die waarheid tot de gelovigen te Corinthe zou doordringen, ze weer de goede weg in konden slaan. Dan zou er hoop zijn voor deze gemeente. Paulus is er van overtuigd dat "Christus en die gekruisigd" zelfs deze gelovigen onberispelijk kan doen staan op de dag van de Here Jezus (zie vers 8). Want ook al hebben we de Heilige Geest ontvangen, we moeten hervormd worden door de vernieuwing van ons denken (Rom. 12:2), leren in nieuwheid des levens te wandelen. Ons uitgangspunt, ons vertrekpunt is in Christus te zijn; daar hoeven we niets voor te doen. Het is een heilsfeit. We hoeven nooit meer een bordje om onze nek te hangen met "niet goed genoeg". We mogen een bordje om onze nek hangen met "volmaakt in Christus". "Niet goed genoeg" hoort bij die wereld vóór het Kruis van Christus. Daar is de aanklager, Satan, altijd bijzonder succesvol. Daar is vermoeidheid, frustratie, kramp, een ondraaglijk zwaar juk. Achter het Kruis van Christus begint onze wandel in nieuwheid des levens, volgens geestelijke principes en in de kracht van de Heilige Geest. De weg tot de volheid van Christus begint in volheid, volmaaktheid. Alles is er. Alles wat we nodig hebben is in Hem.

Meer van Christus
"Ja maar," hoor ik iemand zeggen, "er is toch méér van de Heer? We zijn toch armoedig? Wees eerlijk!" Inderdaad. Maar begin niet bij de mens. Begin bij God. De Heer is nooit vaag. Ik hoor zo vaak bidden: "Och Heer, wat staat u in de weg? Breng het aan het licht! Begin bij mij!" En dan ontstaat er een sfeer waarin er een soort Achan opgespoord moet worden, een rotte appel die alles besmet. En er gebeurt niets. Het blijft stil. Dan maar weer extra bidstonden organiseren voor opwekking? We hebben nog niet hard genoeg tot de Here geroepen... Hij heeft nog niet genoeg tranen gezien... niet genoeg, niet genoeg, niet genoeg... Nee, dat is niet de weg. De weg naar meer van de Heer begint bij Zijn volkomenheid, Zijn algenoegzaamheid. Met vrijmoedigheid gaan we tot de Troon van genade, niet met schroom, niet ons bekerend, niet angstig zoekend naar dingen in ons leven die Hem misschien in de weg zouden kunnen staan: "Misschien wil de Heer dat ik niet meer dan drie kopjes koffie per dag drink... Misschien wil de Heer dat ik dat schilderij van de muur haal... Misschien, misschien..." Nee, de Heilige Geest spreekt altijd duidelijk, ook al is Zijn stem meestal een "het suizen van een zachte koelte" (1 Kon. 19:12). We hebben een verkeerd beeld van heiligheid. Echte heiligheid is vrijmoedig en blij. Meer van Christus willen we. Heel goed. Maar als het goed is, hoeven we dat niet van Hem af te smeken. De wijsheid van God is dat we al binnengebracht zijn in de volheid van Christus.
wordt vervolgd

H.d.J.


december 2011

De volheid van Christus


deel 6: De volheid van Christus: Zijn heerschappij


Schriftgedeelte:
“Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde” (Mat. 28:18)
Referenties:
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)

Heerschappij is één van de hoofdthema’s in de Bijbel, ofwel beheer van rechtmatig bezit. De Here Jezus heeft zoveel macht, dat Hij stenen in brood kan veranderen, maar Hij doet het niet (zie Mat. 4). Want het is niet de wil van de Vader. Hij kan legioenen engelen bevelen om Hem terzijde te staan om het “arrestatieteam” van Judas te vernietigen, maar Hij doet het niet. Want het is niet de wil van de Vader. Als Hij de wil van de Vader niet gedaan zou hebben, zou Hij alles verloren hebben waar het om draait, Zijn rechtmatig bezit. Het gezag van de Here Jezus is onlosmakelijk verbonden met Zijn gehoorzaamheid en onderworpenheid aan de Vader. In de Here Jezus is volheid van heerschappij. Niemand zag dat toen Hij gekruisigd werd, behalve God de Vader. Hij leek volkomen machteloos, maar was op weg naar de grootst mogelijke overwinning, die Hem naar de Troon van het heelal zou brengen, het Koningschap over de zichtbare en onzichtbare schepping, het Hoofdschap boven alle macht en kracht en heerschappij en alle naam. Hij is door de Vader gekroond tot Heer en tot Christus. Maar er komt nog iets bij kijken. De Here heeft verkozen om Zijn absolute heerschappij te bewijzen door een zodanig Verlossingswerk, dat mensen als u en ik, die zondaren waren, onder de heerschappij van Satan waren, deelgenoten worden in het beheer van Zijn Koninkrijk. En dat doet Hij niet zomaar, maar Hij maakt ons waardig om die taak te kunnen en mogen vervullen. Hij verandert ons binnenste zo volkomen, dat we geschikt gemaakt worden voor die plaats, naast Hem op de Troon! Dat is pas absolute heerschappij!

Gedelegeerd gezag
We komen nu op gevaarlijk terrein. Dit onderwerp, de heerschappij van Christus, gekoppeld aan Zijn vrijgekochten, roept vijandschap op, zet de machten van de hel in beweging. Maar het moet genoemd worden. We blijven anders steken bij onszelf. We zoeken de Here te dienen, we hebben Hem lief en willen een heilig leven, maar botsen steeds weer op onszelf. Ja, het is geweldig als we leren om verzoekingen te weerstaan. Het is heerlijk om te ervaren dat er genade is “te gelegener tijd”, zodat we niet uit ons vlees reageren, maar naar de Geest. Het is geweldig als we leren om onze tijd goed te besteden. Dank de Heer als het gelukt is om niet naar een onzinnig TV-programma te kijken, maar de avond in gebed te besteden, te evangeliseren of Bijbelstudie te doen. Dank de Heer als je je luiheid overwint. Dat is iets groots, echt. Maar we moeten niet denken dat het de Heer daarom te doen is. Alles is gericht op een doel dat die heiliging en toewijding overstijgt, waar die heiliging en toewijding een middel toe zijn: het kunnen delen in de heerschappij van Christus. Denk aan de hoofdman in Mattheus 4. Hij kende het principe van gedelegeerd gezag. Hij geloofde dat de Here Jezus overal boven stond en daarom slechts een woord hoefde te spreken om zijn knecht te genezen. De hoofdman hoefde zich niet op te werken tot een hoog geloofsniveau. Hij hoefde niet eerst iets aan te Here Jezus te bewijzen voordat de Here op zijn verzoek inging. Hij klampte zich vast aan wie de Here Jezus is. Dat is wat we moeten doen.

Gelijkvormigheid aan het beeld van Christus
De Here God heeft ons geroepen tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon, Jezus Christus (Rom. 8). Door lijden heen wordt het leven van de Here Jezus in ons gevormd. We leren het oude af te leggen en het nieuwe aan te doen (Ef. 4). Iets van de heerlijke eigenschappen van de Here Jezus komt tevoorschijn: Zijn liefde, Zijn nederigheid, Zijn zachtmoedigheid, Zijn reinheid. Maar het gaat er niet om dat ik nu zo’n nederig persoon wordt. Die nederigheid is één van de eigenschappen die nodig zijn om met Christus te kunnen heersen, zodat de volle heerschappij van Christus uitgeoefend kan worden. Zijn liefde en reinheid zijn nodig om die verantwoordelijkheid te kunnen dragen, zodat heel de schepping met verbazing zal zien hoe groot de heerschappij van Christus is, omdat Hij Zijn gezag heeft kunnen toevertrouwen aan wezens die eens vijanden van Hem waren en zondaars. Wat is er toch met deze mensen gebeurd?! Hoe heeft God dat voor elkaar gekregen?! Dan wijst God op Zijn Zoon en op Zijn volbrachte werk aan het kruis van Golgotha.

Het conflict Het is een strijd van geloof. Alle machten van de duisternis zijn erop uit om ons naar beneden te trekken, ons af te leiden van ons zien op Jezus. Soms moeten we van minuut tot minuut voet bij stuk houden, voortdurend de vijand afwijzen en onze toevlucht tot de Heer nemen. We zijn gewikkeld in een enorme strijd. De vijand wil niet dat het Koningschap van de Here Jezus zichtbaar wordt in een mensenleven en helemaal niet in een plaatselijke gemeente. Het is opvallend hoe vaak een brief in het Nieuwe Testament eindigt met een opmerking die betrekking heeft op deze hemelse oorlogsvoering. De Romeinenbrief, o ja, die gaat toch over het met Christus gekruisigd zijn en het leven in de Geest? Jazeker, maar wat dacht je van het vers “Weldra zal de Here de Satan onder uw voeten vertreden.”? Corinthiërs, o ja, dat over het functioneren van de gemeente in eenheid, toch? Jazeker, maar wat dacht je van “De wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God. Elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus.”? En “Dood, waar is uw prikkel? Verzwolgen in de overwinning.” Steeds weer komt die strijd naar voren, het grote conflict van de eeuwen. De Here Jezus is Heer. Hij is Koning. Maar Hij wil dat Zijn heerschappij uitgevoerd wordt door uw en mijn leven heen. De wereld ziet dat misschien niet in eerste instantie. De vijand van Christus denkt misschien terug te kunnen slaan. HIj doet William Tyndale op de brandstapel belanden en denkt dat hij de verspreiding van Gods Woord zo tegenhoudt. Maar William Tyndale bidt, vlak voordat hij sterft: “Here God, open de ogen van de koning.” Een paar jaar later besluit koning Hendik VIII, hoe omstreden hij ook is, dat op elke preekstoel in Groot Brittanië een Engelse Bijbel moet komen te liggen. William Tyndale had een gezagdragend gebed uitgesproken. Was hij slachtoffer? Nee, Hij heerste met Christus.
wordt vervolgd

H.d.J.


november 2011

De volheid van Christus


deel 5: De volheid van Christus: de gerechtigheid van God


Schriftgedeelte:
“Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, …” (1 Cor. 1:30)
Referenties:
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)

De Here Jezus wordt verschillende keren “de Rechtvaardige” genoemd (bijvoorbeeld Hand. 3:14). Toen de Romeinse hoofdman zag wat er tijdens het sterven van Jezus gebeurde, verheerlijkte hij God en zei: “Inderdaad, deze mens was rechtvaardig!” (luc. 23:47). Toch zal hij de inhoud niet volkomen gevat hebben. De Here Jezus was als Mens op aarde oneindig veel meer dan een weldoener, iemand die opkwam voor de zwakken, zieken en verdrukten of iemand die nooit iets fout deed. Hij was rechtvaardig in Gods ogen. Hij openbaarde de gerechtigheid van God, was het levende voorbeeld van Gods gerechtigheid. De Here God heeft Zijn Zoon verheerlijkt, omdat Hij het werk volbracht heeft wat Hij Hem te doen gegeven heeft (Joh. 17). Het werk was de uitkomst van wie Hij was en is. Hij is de waarheid: wat Hij zegt, doet Hij en Hij doet het omdat Hij zo is. Zet alle uitnemende kwaliteiten van de Here Jezus maar eens op een rij, gegrond op Gods Woord: nederig, zachtmoedig, menslievend, heilig, machtig, absoluut gehoorzaam aan de Vader, wijs, en ga zo maar door. En elke van deze eigenschappen is ook nog eens van een bovenmenselijk niveau. Hij is van boven, niet van deze aarde. Het zijn goddelijke kwaliteiten, die buiten het bereik van de mens als gevallen schepping liggen. Het wonder van genade is nu, dat de Here Jezus door Zijn gerechtigheid als smetteloos offer aan God aangeboden kon worden voor de Verzoening van onze ongerechtigheid. En nog meer: door Zijn gerechtigheid kon de dood Hem niet vasthouden en heeft God Hem opgewekt uit de doden en Hem aan Zijn rechterhand gezet, met als gevolg voor ons dat als wij in Hem geloven, ons Zijn gerechtigheid wordt toegerekend.

Toegepaste gerechtigheid
Het leven met de Heer nu, is in feite niets anders dan Gods toegerekende gerechtigheid te maken tot toegepaste gerechtigheid. Oswald Chambers zegt in “Geheel voor Hem”: “Wat God heeft ingewerkt, moeten wij uitwerken.” Paulus gebruikt in de Romeinenbrief de frase “gehoorzaamheid des geloofs”. Je zet een stap in gehoorzaamheid, ook al denk je dat wat God van je vraagt, nooit gerealiseerd kan worden, en tot je grote verbazing en blijdschap en tot roem en aanbidding van God blijkt het wèl te kunnen. Geloof is de grondslag van de toegerekende gerechtigheid van God, de gerechtigheid die ons de status van kind van God geeft, maar evengoed is geloof de grondslag voor toegepaste gerechtigheid, de gerechtigheid die is uitgegroeid, tot volwassenheid gekomen, ons de status van “zoon” geeft. De waarschuwing die zo vaak in de brieven van het Nieuwe Testament doorklinkt is, dat de toegerekende gerechtigheid van weinig waarde is, als die niet wordt toegepast. En naast een waarschuwing klinkt er ook een heerlijk aansporing in door, namelijk dat de Here God met dat Hij ons de gerechtigheid in Christus toerekent, ons de absolute zekerheid geeft, dat deze ook tot het einde toe in ons leven uitgewerkt wordt. Voortdurend gaan we door eenzelfde ervaring, waarin het principe van de opstanding werkzaam wordt: leven uit de dood.

Het geloof van Abraham
Het principe van geloof in de opstanding, leven uit de dood, overwinning over de vergankelijkheid, vinden we geïllustreerd in Abraham. Hij legt Isaac op het altaar. Hij geeft nota bene Gods belofte prijs! Maar Isaac is niet zomaar een zoon. Hij is verkregen uit een onmogelijke situatie, ook al volgens het principe van leven uit dood, de opstanding. Je zou kunnen zeggen dat de dood al over Isaac heen gegaan was, voordat hij geboren werd. Abrahams eigen lichaam was verstorven en Sara’s moederschoot was gestorven, zegt het Woord (Rom. 4:19). Isaac is daarmee een beeld van wat hemels is, eeuwig leven. En wat kan er met eeuwig leven gebeuren? Het kan alleen nog maar op echtheid getest worden. Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. De Here Jezus zegt over Abraham: “Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd” (Joh. 8:56). Geloof is onlosmakelijk gekoppeld aan “de dag van de Here Jezus”, het zien op Jezus, waar de Hebreeënbrief ons toe aanspoort. Een andere weg tot praktische gerechtigheid is er niet, een weg van blindelings vertrouwen op God.

Hongeren en dorsten naar gerechtigheid
“Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden,” zegt de Here Jezus in de Bergrede (Matt. 5:6). Als we ons verlangen naar God bij Hem bekend maken, moeten we weten dat we meer dan Zijn troost zoeken. We willen graag een “aanraking”, een duidelijk teken van Hem dat Hij nabij is, iets waar we kippevel bij krijgen. In feite vragen we om ons meer en meer gelijkvormig te maken aan het beeld van de Here Jezus. We vragen om meer van de gerechtigheid van Christus in ons uit te werken. Gods antwoord op ons verlangen naar Hem kan daarom vaak onverwachte vormen aannemen, soms zelfs tegengesteld aan onze verwachting. Dan komt het erop aan. Het moment van de test op echtheid van het hemelse leven is gekomen. Voharden we? Houden we vast? Blijven we blindelings vertrouwen op God, “ziende de Onzienlijke”? Het resultaat is loutering, heiliging, reiniging en... blijdschap! Nee, deze vrucht van gerechtigheid komt niet van zelf. We gaan door lijden en strijd heen, de “tuchtiging van de Here” (Zijn opvoeding tot volwassenheid). Maar de Here God wil weten wat dat verlangen van ons naar Hem voorstelt.

Toenemende gerechtigheid
“wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is (1 Joh. 3:2,3). We zien in dit vers het doel waar God naartoe werkt in ons leven: gelijk zijn aan Zijn Zoon. Een steeds dieper gaande reiniging is nodig om tot dat doel te komen en volgens dit vers moeten we dat zelf doen. De Heilige Geest wijst ons de dingen aan waarvan we ons moeten reinigen en dan is het aan ons om gehoor te geven. Elke dag zijn er weer nieuwe lessen. Het lijkt een eindeloze weg, maar de Here bemoedigt ons altijd. Hij veroordeelt nooit. Hij geeft ons een steeds helderdere kijk op wat gelijk zijn aan de Here Jezus inhoudt. Dachten we misschien eerst nog dat er een soort mystieke intimiteit mee bedoeld werd, gaandeweg leren we dat er zeer praktische zaken mee gemoeid zijn, die te maken hebben met onze toekomstige taken en verantwoordelijkheden, het delen in de erfenis met Christus en alles wat dat met zich meebrengt. In Openbaring 19 wordt twee keer over smetteloos fijn linnen gesproken. In vers 8 zien we de Bruid van Christus, die een kleed van blinkend smetteloos fijn linnen krijgt, “… want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen.” Dan zien we in vers 14 de hemelse heerscharen, de engelenmacht die ingezet wordt bij het oordeel over de ongelovigen, eveneens in smetteloos fijn linnen. Wil dit zeggen dat de rechtvaardige daden der heiligen direct verband hebben met de uitvoering van het oordeel van God over de heidenen met behulp van de engelen? Ik geef het ter overdenking. In ieder geval is het zo dat de Here God ons verantwoordelijkheid zal toevertrouwen op grond van wat we hier tijdens ons aardse leven aan rechtvaardigheid gedaan hebben, natuurlijk naar de mate waarin Hij dat van ons mocht verwachten. Maar de oproep is duidelijk: “Wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid” (Op. 22:11). Moet ik dan een opvangcentrum voor drugsverslaafden beginnen? Dat zegt de Heer niet. Misschien is Hij er wel eerst op uit dat die onuitgesproken lelijke reacties en irritaties verdwijnen en dat er de zachtmoedigheid en liefelijkheid van de Here Jezus voor in de plaats komen.

wordt vervolgd

H.d.J.


oktober 2011

De volheid van Christus


deel 4: De volheid van Christus als Gods standaard


Schriftgedeelte:
“… de gemeente, die Zijn lichaam is en de vervulling van Hem Die alles in allen vervult” (Ef. 1:23)
Referenties:
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)


Ontevredenheid
Er is geen christelijke gezindte die niet beweert het bijbelgetrouwste te zijn van alle gezindten die er bestaan. Ook is er geen enkele gezindte waar geen ontevredenheid heerst onder haar leden. Volgens hen zijn er dwalingen, is er geestelijke armoede of doodsheid. De leiders willen niet naar hen luisteren, dus is afscheiding onvermijdelijk. Ze beginnen een eigen groep en keren daarmee, naar hun beleving, terug op Bijbelse grond. Ze noemen zich “Bijbelse Gemeente”, want ze zijn het bijbelgetrouwste van allemaal. Tien jaar later hebben we er een gezindte bij gekregen: de “Bijbelse-Gemeente-gemeente”. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Het is het gevolg van een onvoldoende kennis van de openbaring van Jezus Christus. Ontevredenheid kan op zich een goed teken zijn, vanuit een honger naar meer van Christus. Hoe kunnen we een dergelijke ervaring in goede banen leiden? Is er een antwoord op de bijna onvermijdelijke geestelijke neergang van iets dat werkelijk uit Gods Geest voortgekomen is?

Gods standaard
Er gebeurt iets bijzonders als we de Here Jezus ontmoeten. We worden geconfronteerd met Gods heiligheid, met het feit dat Hij van boven komt, niet van de aarde is. We horen in ons hart de Here God zeggen: “Dit is Mijn Zoon, in Wie al Mijn welbehagen is.” De Here God openbaart Zijn Zoon meestal niet zodanig dat we meteen voorover vallen, zoals Johannes in het boek Openbaring, maar wel op zo’n manier dat we weten dat we alleen door genade kunnen leven, alleen in leven blijven als God Zijn verzoening in Christus op ons toepast. En het vreemde is, dat Hij ons tot Zich uitnodigt: “Kom tot Mij...” Dat is het unieke van de Here Jezus. In plaats van bang te worden voor Zijn oordeel over ons, worden we tot Hem aangetrokken, ondanks Zijn onvoorstelbare heiligheid en reinheid, Zijn hemelse wezen. We worden aan de ene kant overweldigd door Gods onvoorstelbaar hoge standaard van Zijn welbehagen en de onhaalbaarheid daarvan, maar aan de andere kant worden we overweldigd door Zijn liefde, dat Hij ons in Christus geplaatst heeft, waardoor we deel hebben gekregen aan die hoge standaard, de volheid van Zijn Zoon Jezus. God is alleen tevreden met de volheid van Zijn Zoon. Daarmee zet Hij een definitief kruis door al het menselijke, elk menselijk pogen om Hem te behagen. En alleen op die grond, de grond “achter het Kruis”, het Kruis voorbij, op Opstandingsgrond, kan Zijn gemeente samenkomen. Er is alleen dan een kans van slagen om een waardige vertegenwoordiging van de Gemeente van Jezus Christus te zijn als er aan de ene kant dat diepe besef van onwaardigheid is in onszelf, en aan de andere kant het geloof in de Opstanding, het leven in de Geest van Christus. Dan spreken we niet in de eerste plaats in termen van bijbelgetrouwheid, maar in termen van Gods ontferming. Met grote verbazing en dankbaarheid en aanbidding kom ik dan samen met mijn broeder en zuster en weet me door genade “uitgeroepen”, uit de wereld, uit het wereldse systeem van denken, uit Adam, in Christus, tot Christus. En natuurlijk willen we dan zo bijbelgetrouw mogelijk zijn. De Geest en het Woord gaan altijd samen en zijn onafscheidelijk.

Genade
De weg tot de volheid van Christus is dus genade, genade in de betekenis van de levenskracht, de opstandingskracht, dat wat ons uittilt boven ons menselijk kunnen. Ieder kind van God mag en moet daar telkens weer en voortdurend aanspraak op maken. De Here God kan mij niet weigeren als ik aanspraak maak op de Troon van genade en wil mij ook niet weigeren, omdat het offer van Zijn Zoon dan geëerd en ten volle benut wordt. De Here God verwelkomt mij zelfs met grote blijdschap, zodra ik de vrije toegang tot Zijn Troon weet te benutten. In die genade zijn we geroepen tot gemeenschap met Zijn Zoon, Jezus Christus, en door die gemeenschap kunnen wij als kinderen van God gemeenschap met elkaar beoefenen, tot lof en eer van God de Vader samenkomen en Hem samen dienen. Alleen met beroep op de barmhartigheden van God kunnen we Hem waardig dienen (Rom. 12) en als lichaam van Christus functioneren. Dat is een geheel andere insteek dan wanneer we vanuit een vooropgezet systeem samen proberen te komen, hoe Bijbels dat systeem ook moge wezen. We hebben misschien allemaal een bepaald beeld van hoe een gemeente moet zijn, maar het enige waar het om gaat is de openbaring van de volheid van Christus. Daar is die “genade op genade” voor nodig, alle heerlijke deugden van de Here Jezus waar we deel aan hebben gekregen: liefde, lankmoedigheid, verdraagzaamheid, onzelfzuchtigheid, nederigheid, zachtmoedigheid. Dat, samen met het dienen met de gaven van de Heilige Geest, bouwt de gemeente.

De Erfgenaam
Iets wat onlosmakelijk verbonden is met de volheid van Christus en de genade die we ontvangen om daaraan deel te hebben, is Zijn Erfgenaamschap. Christus Jezus is Gods Erfgenaam, Degene die de goddelijke volheid beheert, Gods zaak behartigt. De Here God heeft bij dit Zoonshap in gedachte dat Zijn Zoon dat niet als individu is, maar als Huishouding, als orde, als “bedrijf”, samen met de door Hem losgekochten. Dat is de roeping van de gemeente. Daarin komt de grootheid van Christus ten volle tot uiting. Het moment komt, dat Jezus Christus Zijn Koningschap zal aanvaarden. Dat is ook het moment waarop Hij Zijn Bruid zal presenteren als de Koningin, Zijn metgezel met wie Hij zal regeren. Zo ver is het nog niet. We leven nog in de tijd waarin we voor de Troon opgeleid worden. Dat is de verklaring van ons lijden en ons worstelen, beproevingen en verzoekingen, de soms zware en intense strijd in de hemelse gewesten. We worden getest en getoetst op dat Erfgenaamschap in Christus. Hierin leren we noodzaak van genade, de noodzaak om volledig op Hem te leren vertrouwen, de noodzaak om onze toevlucht tot Hem te nemen. Verliezen we deze visie uit het oog, dan zinkt de gemeente weg in het moeras van welgemeende, op de Bijbel gebaseerde, maar aardse ideeën.

Gebed, het Woord en goede werken
Wat moeten we ons in de praktijk voorstellen bij de openbaring van de volheid van Christus door de gemeente? Gebed neemt een centrale plaats in. Gods Huis is een Bedehuis. Het gebed van de gemeente is de slagader waardoor het leven van de Here Jezus kan stromen. Het is ook de basis voor Gods spreken tot de gemeente, Zijn Woord, niet alleen in de vorm van Bijbelstudie, maar ook in profetie, bemoediging, vermaning, correctie. De volheid van Christus is “de hemel open en de engelen Gods opstijgend en nederdalend op de Zoon des mensen” (Joh. 1:52), voortdurende interactie tussen het Hoofd, Christus, en het Lichaam, de gemeente. Gebed en het Woord zijn nodig om die communicatie open te houden en zuiver. Misschien is daar in de plaatselijke gemeente weinig animo voor. Misschien zien zelfs de leiders dat wel helemaal niet zitten. Wel, kom dan samen met hen die wel gehoor geven aan die opwaartse roeping in Christus, met twee of drie, dat maakt niet uit. Sta niet stil bij wat er allemaal mis is in de gemeente, bij die slechte leiders of de oppervlakkigheid, maar zoek samen de Heer, naar Zijn hart.
De volheid van Christus wil altijd overstromen. Het wil vermenigvuldigd worden, uitgedeeld worden. Als we er iets van proeven, worden we klein en laag. We willen dezelfde weg gaan als die Hij gegaan is, de weg van zelfverloochening, van dienen. Door de leiding van de Heilige Geest zullen we ons daarom altijd beijveren om goede werken te doen, altijd bereid zijn om te helpen. De volheid van Christus kiest niet in de eerste plaats het podium en de schijnwerpers, maar het onopvallende dienen. Zoals water altijd de laagste plaatsen vult, zo worden wij vervuld van het Levende Water, de Here Jezus Christus, als wij de laagste weg gaan, die van Zijn Kruis.

wordt vervolgd

H.d.J.



september 2011

De volheid van Christus


deel 3: De volheid van Christus in de praktijk


Schriftgedeelte:
“… de gemeente, die Zijn lichaam is en de vervulling van Hem Die alles in allen vervult” (Ef. 1:23)
Referenties:
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)


Onvoorwaardelijk
De Here Jezus heeft zich geheel gegeven, onvoorwaardelijk. Uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen… niet de helft van Christus, niet driekwart, nee, Hemzelf geheel en al. Maar in de praktijk van ons persoonlijk leven en van de plaatselijke gemeente ervaren we de volheid van Christus in beperkte mate. Dat kan goed zijn, maar ook fout. Als het fout is, hebben we het gevoel dat het niet zo is als het behoort te zijn. Er is een mate van Christus die kleiner is dan de Here God mag verwachten. Maar het kan ook een goede ervaring zijn, waarin we ontdekken dat we geestelijk groeien, op weg zijn naar geestelijke volwassenheid. In zo'n geval wordt de Here Jezus niet beperkt, maar wordt Hij geëerd in Zijn rechtmatige plaats als Heer en Hoofd. We hebben verbinding met Gods Troon, door de Heilige Geest. En die kan daarom Zijn werk voortzetten in ons.

Toename
De grenzeloosheid van Christus geeft een enorme vrijheid. We spreken van kleding die “op de groei gekocht” is, dat wil zeggen dat de maten eigenlijk te groot zijn. De persoon voor wie de kleding bestemd is, heeft alle ruimte om te groeien. Wel, wij hebben allle ruimte om te groeien in Christus. Hij is oneindig groot. Dat maakt het makkelijker om gecorrigeerd te worden, vermaand of getuchtigd. Het besef van de grootheid van Christus spoort aan om veranderd te worden, zich aan te passen, Zijn Woord te beamen en te gehoorzamen. Is er iets niet goed of is er een gebrek? Geen paniek. Neem alle tijd voor verootmoediging, maar blijf niet te lang stilstaan bij de onvolkomenheid. Aanvaard dat wat ontbreekt in Christus aanwezig en beschikbaar is. Dank Hem daarvoor en ga gauw weer verder! Ik heb me wel eens afgevraagd waarom de engel aan Petrus vroeg om snel op te staan (Hand. 12:7). Waarom zon’n haast als God toch alles onder controle heeft? Het heeft te maken met de strijd in de hemelse gewesten. In Gods soevereiniteit en wijsheid laat Hij dingen toe met het oog op onze groei in Christus en de verheerlijking van Zijn Naam. En daarom moeten we snel zijn, in geestelijke zin. Een te lange rouwtijd over mijn zonden is gevaarlijk. Is er “droefheid naar Gods wil” en “onberouwelijke inkeer” (2 Cor. 7:10), dan is het tijd om op te staan en verder te gaan. De duivel krijgt anders gelegenheid om aan te klagen en dat kan diep gaan nestelen in het hart. Ook loopt men meer kans om toch weer in dezelfde zonde te vallen. Want in plaats van de verzoeking af te wijzen, ga je je ermee vereenzelvigen. Je begint toe te geven dat die zonde bij jou hoort, typisch iets van jou is. Maar dat is een leugen. Geen enkele zonde hoort bij een kind van God! Let wel: de grootheid van Christus geeft mij geen ruimte om te zondigen! Juist het tegenovergestelde: ruimte om niet meer te hoeven zondigen. Er is groei mogelijk, er is vooruitgang mogelijk, toename. We hoeven nooit te denken dat we niet meer verder komen, onze grens bereikt hebben. Er is altijd meer van Christus te ontdekken, gelegenheid om Hem dieper te leren vertrouwen en te kennen, te leren dat Hij waarachtig is, dat Hij is wat Hij zegt te zijn en doet wat Hij belooft. Ten aanzien van de zonde spreekt de Heer nooit vertroostend, maar altijd vermanend en berispend. Hij ontfermt Zich over zondaren, maar accepteert nooit een excuus voor de zonde. Zijn Kruis, Zijn offer, Zijn bloed is voldoende voor de reiniging en verlossing van iedere zonde. We gooien het veel te gauw op een accoordje met wat we onze zwakheden noemen. We grijpen te gauw naar “beschadigde emoties”, waarmee we ons op zeer gevaarlijk terrein begeven, als het al niet het terrein is van Freudiaanse psycho-analyse, iets wat volkomen goddeloos is, zelfs zijn wortels heeft in Darwinisme, dat zegt dat een wezen zich gedraagt volgens de invloeden van zijn omgeving. Zijn gedragingen zouden altijd terug te voeren zijn naar wat hem is overkomen en zijn een manier om te overleven. Uiteindelijk is dit een poging om zich van de verantwoordelijkheid voor de zonde te ontdoen. Dit denken heeft de gemeente van Jezus Christus besmet en christenen verzwakt en verlamd. Leg af! Geef op! En ga door! Er wacht ons nog zo veel meer heerlijkheid!

De gemeente*
We hebben gelezen dat Jezus Christus gegeven is, in al Zijn volheid. De Here God heeft daarbij iets bijzonders in gedachte, namelijk dat Hij Zijn Zoon in al Zijn volheid gegeven heeft aan de gemeente. Dat is iets wonderlijks. Het betekent dat Hij Zijn heerlijkheid op een bepaalde wijze wil uitdrukken en wel in meervoudigheid. De Here Jezus is zo groot, dat een juiste weergave van Zijn heerlijkheid alleen kan geschieden door middel van meerdere levens samen. Een spreeuw is een vrij eenvoudig vogeltje, maar een zwerm spreeuwen is een machtig schouwspel. De heerlijkheid van Christus is de optelsom van alles wat Hij door de eeuwen heen in Zijn genade in mensenlevens heeft kunnen veranderen door de toepassing van Zijn dood en opstanding. Duizelingwekkend! Niet voor niets is de roeping van de gemeente om de vervulling te zijn van Christus. Ontbreekt er dan nog iets aan Christus? Hij is toch de volheid? Ja, maar daar hoort de gemeente bij! De gemeente is geroepen om Zijn aanvulling te zijn, Zijn Bruid. Zonder haar is Hij niet compleet. Dit is ontzagwekkend! Maar zo wil de Here God het in Zijn soevereiniteit. Dat is Zijn welbehagen. Zo is het in Zijn hart geweest van voor de grondlegging der wereld. “… de gemeente, die Zijn lichaam is en de vervulling van Hem Die alles in allen vervult” (Ef. 1:23). Dat geeft meteen de richting aan van het bestaan van de gemeente. De gemeente is er voor de Here Jezus, om Hem te vervullen. Wel, als dat onze roeping is, laten we dan ook geloven dat Hij die roeping mogelijk maakt. En dat doet Hij. Daarvoor heeft Hij de Heilige Geest gezonden. Er ontbreekt niets in Gods voorziening. Hij heeft overal aan gedacht.

wordt vervolgd

  • Met “gemeente” wordt bedoelt de gemeenschap van wedergeboren mensen, niet een instituut waar men lid van kan worden.

H.d.J.


augustus 2011

De volheid van Christus


deel 2: De volheid van de liefde van Christus


Schriftgedeelten:
“opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen” (Joh. 17:26)
“want de Vader zelf heeft u lief …” (Joh. 16:27)
Referenties:
Things that Please God, C.R. Golsworthy, de vierde toespraak van de serie hier te beluisteren.
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)


Hoe is het mogelijk dat de Here Jezus wil dat wij geliefd worden door de Vader?! Wij zijn de oorzaak van Zijn leiden en dood. Toch heeft de Here Jezus ons zo lief dat Hij alleen maar het allerbeste voor ons wil: de liefde van de Vader.
Denken we dat Gods liefde voor ons een soort onpersoonlijke zelfverloochening is, hebben we het idee dat de Here Jezus aan ons persoonlijk voorbij ging toen Hij Zich liet kruisigen, dan hebben we een verwrongen beeld van Hem en van Zijn liefde. Gods liefde is onbegrijpelijk, niet te vatten. Het is echter van het allergrootste belang om Zijn liefde te kennen, waarbij het kennen een ervaring inhoudt, beleving, toepassing (Ef. 3:19). Ieder christen kent wel iets van Zijn vergeving, Zijn genade, ontferming, lankmoedigheid, goedertierenheid, geduld, Zijn zorg, voorziening, Zijn opvoeding (tuchtiging). Al deze facetten van Zijn liefde verdienen dagelijkse overdenking. Golgotha is naast een historisch feit een geestelijke realiteit bovendien. Christus is Verlossing! Niet voor niets gebruikt Paulus in Romeinen 5 het woord “uitgestort”. Het duidt op de kracht van een watervloed. Hoe krachtig water kan zijn, weten we van de beelden van recente tsunamis. Er is niets tegen bestand. Mijn “troontje”, de zetel van mijn ego, gaat omver. Al wat mij op aarde boeit en bekoort, spoelt weg.

Genegenheid
Liefde wordt in de Griekse grondtekst van het Nieuwe Testament met verschillende woorden aangeduid. Er is agapeo en er is filio, agapè en fil(adelf)ia. Agapè is de zich onvoorwaardelijk overgevende liefde; filio is genegenheid, iets dierbaar vinden. Nu ligt het gevaar op de loer om te technisch te zijn, zo te gaan wroeten in lexicons dat we in onze dagelijkse praktijk vergeten, verleren, verzaken om Gods liefde te waarderen, naar waarde te schatten. In Johannes 16:27, bijvoorbeeld, “de Vader zelf heeft u lief”, wordt filio gebruikt. Dat klopt niet, is mijn eerste reactie. Hoe kan ik de Vader dierbaar zijn? Bestaat er zoiets als goddelijke vriendschap? Gaat Gods hart naar mij uit? “Oh nee,” denk ik, “Gods gedachten gaan uit naar Zijn Zoon, in Wie al Zijn welbehagen is. Dat sluit mij toch uit?” Nee, want God belooft, dat als ik in de Here Jezus geloof, ik juist inbegrepen word bij de Zoon. “In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.” (Ef. 1:5,6)! De Here God ziet in ons de potentie om de aanvulling van de Here Jezus te worden, de Bruid, waardoor Hij nog meer verheerlijkt wordt dan dat Hij al is. Daarom zijn wij zo kostbaar in Zijn ogen.

Voorziening
Kinderen van God zullen altijd weer versteld blijven staan van de grote voorzienende liefde van de Here Jezus. Hij is de “Ik Ben”, die leven heeft in Zichzelf, om leven te kunnen geven. En dat is precies wat Hij doet, in eindeloze mate, geven, geven en nog eens geven, een onuitputtelijke bron. Altijd kunnen we en moeten we bij de Here Jezus terecht. Dat doet me denken aan de toespraak van broeder Ramond Golsworthy die als referentie bij deze overdenking staat vermeld, waarin hij “the discipline of going to Christ Himself” benadrukte, de discipline om voor al onze vragen en noden naar de Here Jezus Zelf toe te gaan. Boeken kunnen helpen, een artikeltje op internet kan helpen, broeders en zusters kunnen helpen, samenkomsten kunnen helpen, maar ze zijn slechts heenwijzers naar Christus Zelf en zijn nooit een alternatief, nooit een vervanging voor Christus Zelf. Als dit artikeltje de lezer warm maakt voor en aanspoort tot zich te wenden tot de Here Jezus, dan heeft het zijn doel bereikt. Hij is de Bron. Door naar Hem toe te gaan, leren we geen trucs, geen methodes maar leven. We leren om op Hem te vertrouwen, erop te vertrouwen dat wat Hij zegt te zijn ook werkelijk is, wat Hij belooft ook werkelijk doet.

H.d.J.

juni en juli 2011

De volheid van Christus


deel 1: De volheid van de Verlossing in Christus


Schriftgedeelten:
Het evangelie naar Johannes; Psalm 107


Referenties:

Spiritual Fulness, Stephen Kaung (twee toespraken tijdens de Harvey Cedars Conference 2005, ook in boekvorm verkrijgbaar)

In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)

De hele Schrift is nodig voor de openbaring van Jezus Christus. In die zin gaat er geen boek of brief boven de ander. Toch zullen vele gelovigen de ervaring kennen dat hun hart extra goedgedaan wordt wanneer zij in hun stille tijd zijn aangeland bij het Johannesevangelie en vers na vers in verwondering raken over wie de Here Jezus is. Het toont de Here Jezus als de Gezondene, de van God Gegevene. “Uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, zelfs genade op genade”. We willen stilstaan bij die volheid van Christus en zien wat het voor onze dagelijkse wandel betekent.

Verlossing
Hoe volkomen is de Verlossing in Christus! Zijn Verlossing bestrijkt alle terreinen van het leven en raakt tot in de kern, het diepste van het hart, laat niets onberoerd, rekent af met alles van de mens, de zonde, de wereld en Satan. “Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.” Dat doet denken aan Psalm 107, waarin beschreven wordt hoe verloren de mens is zonder God en hoe God ingrijpt en verlost. De Psalm laat zien dat verlossing tweeledig is: uit het ene in het andere. Dat is volkomen verlossing. En die verlossing is absoluut, compleet. God verscheurt banden, verbreekt koperen deuren, verbrijzelt ijzeren grendels (vers 14-16). O, dat ik daar meer blijk van gaf in mijn leven! In de praktijk laat ik de verlossing vaak nog zo half zien, alsof ik nog steeds vast zou zitten aan de zonde, misschien niet met ijzeren grendels, maar wel met elastiek; haast onzichtbaar, onmerkbaar, maar de band is er. Ik veer weer terug en moet weer overnieuw beginnen. De geestelijke werkelijkheid in Christus is zo anders: een absolute breuk met de wereld en alles wat er bij hoort. De overwinning van het Kruis is een volkomen overwinning. “Het is volbracht!” (Joh. 18:28). Hoe half is mijn beleving nog vaak! In mijn beleving word ik voortdurend op de hielen gezeten door de vijand en ontkom ik ternauwernood. Dicht bij het bedrijf waar ik werk, wonen twee Jack Russels, van die eigenwijze hondjes. Als hun baasje vergeten is het hek dicht te doen, komen ze op me af als ik er langs fiets en proberen ze in mijn broekspijpen te bijten. Dat lukt ze nooit, want ik kan gelukkig heel hard fietsen. Is het ook zo in mijn geestelijk leven? Steeds de hete adem in mijn nek... Is dat verlossing? Nee, maar dat komt omdat ik niet de volheid van de verlossing ken in Christus. Hij verlost uit... in... In Psalm 107 komt dat zo sterk naar voren. De Here doet de verlosten treden op een effen weg om te gaan naar een stad ter woning. De verlosten des HEREN worden gelaafd en vervuld (vers 9), ze bereiken de haven van hun begeerte (vers 30). Er is vrucht (vers 37) en overvloed (vers 38 en 41). “Ik ben gekomen,” zegt de Here Jezus, “opdat zij leven hebben en overvloed” (Joh. 10:10). Hij is de Fontein van Levend Water, Stromen van Levend Water. Dat is verlossing. “Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen” (Joh. 15:5).

Vervulling
De vaten op de bruiloft te Kana (Joh. 2) werden gevuld tot de rand. Zo moeten ook wij ons vullen met Christus: zorgen dat er niets anders meer bij kan. “Here, ik wil alleen nog maar U!” Dat is het roepen uit Psalm 107. De Here doet de rest, maakt van water de heerlijkste wijn. Leeg zijn van mijzelf, vol van Hem. Het afgelopen jaar was geestelijk gesproken het slechtste jaar in mijn leven als kind van God. En ik had nog wel zulke hoge verwachtingen, vorig jaar. Tja, hoge verwachtingen, van wie? Van mezelf, denk ik. En daarom is het zo'n grote teleurstelling geworden. Ik was te vol van mezelf, verwachtte dat ik iets geestelijk zou kunnen presteren en waar maken. Een illusie. Door schade en schande moest ik leren niets meer van mezelf te verwachten. Het Johannesevangelie maakt het zo duidelijk: het is van boven naar beneden, niet van beneden naar boven. Het is alles in Christus. Hij is de bron van leven. “Al wie dorst heeft, kome to Mij en drinke...”

H.d.J.


mei 2011

Verlangen naar God (deel 2)


Samenkomen is niet op basis van verlangen naar de Heer. De Here heeft ons niet samengebracht omdat wij uitzonderlijk naar Hem verlangen. We hebben als plaatselijke gemeente geen bestaansrecht omdat wij meer zouden verlangen naar God dan andere christenen in onze woonplaats. Ook zijn wij geen verzameling gelovigen die meer van de Heer gezien hebben dan anderen. Wij zijn niet uitzonderlijk. We blinken niet uit in het één of het ander. Wij onderscheiden ons niet in geestelijke rijkdom of inzichten. En ook al zouden we meer gezien hebben van de Heer dan andere christenen in onze omgeving, heeft dat ons voorbeeldig gemaakt? Heeft het zien geresulteerd in voorbeeldigheid, wat betreft gelijkvormigheid aan Christus, een uitdrukking van het leven van Christus?
Ons samenkomen heeft veel weg van de terugkeer van de ballingen onder Nehemia en Ezra. Ons thema is “herstel”. Herstel betekent twee dingen: er is iets kapot gegaan en er is een nieuw begin, er is schaamte en vreugde tegelijk. Er is een diep besef dat dat nieuwe begin op grond van Gods grote barmhartigheid is. Er is ook een diep besef van wat God wil. Hij heeft ons teruggebracht op de weg naar de vervulling van Zijn eeuwig voornemen. In Zijn grote barmhartigheid en soevereiniteit roept Hij ons op om dat in de praktijk te laten zien. In die zin roept Hij ons inderdaad op tot een voorbeeldfunctie. God zoekt een Paulus die kan zeggen: “Volg mij na zoals ik Christus navolg.” Hij wil ons die Paulusfunctie geven. Die is nodig in deze tijd. De Heer is met ons bezig om te kunnen voldoen aan wat nodig is om zo'n functie te kunnen vervullen. Wij hebben geen bestaansrecht. Na de terugkeer van de ballingen doen de Levieten schuldbelijdenis en zeggen: “Gij hebt het recht aan Uw zijde” (Neh. 9:33). Toch is daar grote vreugde. Het volk wordt zelfs vermaand niet te wenen, maar blij te zijn (Neh. 8:11). Want Gods Huis wordt in ere hersteld. Daar draait alles om: Gods Huis (10:39). Wat betekent dat concreet voor ons, hier en nu?

1. Gebed
Allereerst gebed. Matt. 11:17: “… en Hij leerde en sprak tot hen: Staat er niet geschreven, dat mijn huis een bedehuis zal heten voor alle volken?” Als we ergens voorbeeldig in moeten zijn dan is het wel gebed. Laten we daar verder geen woorden aan vuil maken, behalve dit, dat bidden bidden moet zijn en geen verkondiging van ons eigen gedachtegoed. Laten we leren de Here concreet te vragen om dat wat nodig is, zonder geheimzinnigheid, zonder geestelijk inzicht op te eisen. Ik weet wanneer ik fout gebeden heb. De Heilige Geest laat het me zien. Bij mij is dat bijna anatomisch aan te wijzen: bid ik met mijn hoofd of met mijn hart? Als ik met mijn hoofd bid, maak ik het Bedehuis tot een rovershol. Ik steel de aandacht. Ik verkoop mijzelf. Het is voor mij tijdens de bidstonden meestal een flinke innerlijke strijd om los te komen van al het aardse, de waardering, de wet, het vlees. En soms ervaar ik aan het begin van een bidstond een dikke, beklemmende, verstikkende duisternis. Daar moet ik dan doorheen, in geloof. Dat vraagt inzet, wegzien van alles en zien op Jezus. Soms laat ik het erbij zitten; een gemiste kans.

2. Heiliging
Ten tweede: heiliging. Denk aan de zuiveringen die plaatsvonden onder Nehemia en Ezra. In het herstel van Gods Huis kan geen vermenging zijn. Dat betekent concreet dat we elkaar voortdurend aansporen tot een gekruisigd leven, een leven in de Geest.
Er is verwarring over heiliging en dat is te begrijpen. Heb. 10:10: “Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus.” Heb. 10:14: “Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden.” Tja, wat is het nu, iets dat eens en voor altijd gebeurd is, of een proces dat zich bezig is te voltrekken in het leven van de gelovige? Samuel Brengle beschrijft heiliging in zijn boek “Helps to Holiness” als een “tweede zegen”, een aparte ervaring die voor iedere gelovige moet volgen op de bekering en noemt het “volkomen heiliging”. Nu zijn de termen “tweede zegen” en “volkomen heiliging” misschien ongelukkig gekozen; het gaat hem erom dat ieder ernstig, waarachtig wedergeboren mens aanloopt tegen onzuiverheden, onreinheid, vermenging in het hart en dat daar een antwoord op is: heiliging. Hebreeën is bij uitstek het Bijbelboek dat waarschuwt tegen onverschilligheid tegenover dit feit en zegt dat ermee genoegen nemen geen optie is. Een christen mag geestelijk gesproken niet blijven zitten waar hij zit. Hij moet op zoek naar onvermengdheid, volkomen zuiverheid. Zodra hij, bijvoorbeeld, bij het bidden een zelfvoldaanheid bij zichzelf opmerkt, moet hem dat onmiddellijk verafschuwen en doen roepen tot God: “Here, dit klopt niet! Ik moet hier van af!” Dit is essentieel voor de bouw van Gods Huis. Het wakker houden van deze hunkering is een onmisbaar onderdeel van onze samenkomsten, evenals het wijzen op het antwoord erop: Christus Zelf.
Genoegen nemen met de vergeving van onze zonden, zonder te zoeken naar werkelijke overwinning over de zonde, is een grote zonde. Want juist om die overwinning over de zonde is Christus aan het Kruis gestorven. Hij is het Lam van God, dat de zonde wegneemt. En dat kan geen enkel ander offer doen. Daarom heeft de Here God in Leviticus een uniek offer ingesteld dat verwijst naar het offer van het lichaam van Jezus Christus aan het Kruis: het zondoffer, waarvan de hogepriester het bloed in het heiligdom offerde voor het volk, waarvan de priesters niet mochten eten, maar het vlees buiten de legerplaats gebracht en verbrand moest worden. “Wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor de tabernakel verrichten, niet mogen eten. Want van de dieren, waarvan het bloed als zondoffer door de hogepriester in het heiligdom werd gebracht, werd het lichaam buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook Jezus, ten einde zijn volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden. Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige” (Heb. 13:10-14). Het Kruis van Jezus Christus toont ons onze volkomen vervloektheid. Het zegt: “Afgeschreven! Weg ermee!” Onze heiliging begint bij het instemmen met dit volkomen, volmaakte offer van Jezus Christus. “Ten einde Zijn volk door Zijn eigen bloed te heiligen”, heeft Hij buiten de poort geleden. Laten we daarom niet blijven zitten waar we zitten, maar tot Hem uitgaan en Zijn smaad dragen, ons vereenzelvigen met het Zondoffer, het Zondoffer dat niet de zonden in gedachtenis brengt, maar de zonde wegneemt!

Twee aspecten
Gods Woord maakt duidelijk dat heiliging twee aspecten in zich draagt: de volkomen heiliging door het offer van Jezus Christus en heiliging als de vrucht van een wandel in gerechtigheid. Het is ook duidelijk dat het laatste onmogelijk is zonder het eerste: Christus Jezus is ons van God geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing (1 Cor. 1:31). En zonder heiliging is de bouw van Gods Huis, het zoeken van de toekomstige stad, onmogelijk. Opbouw van de gemeente is niet het stroomlijnen van een groep gelovigen volgens Bijbelse patronen of principes, maar de toenemende bijdrage van het leven van Christus in ieder lid van het Lichaam van Christus, een steeds uitgesprokener uitdrukking van Jezus Christus in een groep gelovigen. Door ieder lid heen – en daarin kan niemand gemist worden – wordt, door het werk van de Heilige Geest, samen als gemeente hemels materiaal geleverd voor de eeuwigheid, het onwankelbare Koninkrijk waar Hebreeën over spreekt. Dat is “de verwezenlijking der hoop”, “de hoop waarin wij roemen”, “de vergelding”, het “verkrijgen hetgeen beloofd is”. Heiliging staat niet op zichzelf, is niet “het geheim tot een overwinnend leven”, maar is de bouwtekening van Gods Huis.

Eens voor altijd geheiligd
Nog even terugkomend op het eens-voor-altijd-aspect van heiliging: de ernst ervan is dat we het offer van de Here Jezus tekort doen als we onze heiliging door Zijn offer aan het Kruis onszelf in geloof niet toeëigenen. Dit is een heiliging waar we niet naartoe kunnen groeien. We moeten er in geloof in binnengaan. Het kan even duren voordat we zien hoe dat moet, voordat het tot onze geest doordringt. Het is niet genoeg het met ons verstand te bevatten. Een goede test voor het begrijpen ervan is of we deze heiliging als “iets” beschouwen of dat Christus Jezus Zelf ons voor ogen komt. Zolang het een “iets” is in onze beleving, kijken we nog naar onszelf, is er nog niet het geloof dat wegziet van onszelf en ziet op Christus. Zodra het Christus Jezus Zelf wordt, is er geloof en geestelijke bevatting. Vaak laat de Here God ons eerst vastlopen in onze pogingen het te bevatten. Hij laat ons tot wanhoop komen over onszelf. Plotseling breekt Gods licht door, zoals uit een lied blijkt wat ik schreef na zo’n typische geloofsstrijd:
Heer, als ik denk: “Wat ben ik klein,”
Vindt U me nog te groot.
Teleurgesteld zo zwak te zijn,
Aanvaard ik niet de dood
Van Jezus Christus aan het Kruis;
Op Hèm was Uw gericht.
'k Ben dorre aard’, maar Hij, de Spruit,
Leeft voor Uw aangezicht.
Jezus alleen, Jezus alleen!
Nee, niemand anders wilt U zien
Dan Jezus alleen.
Iemand die zich de heiliging door het offer van de Here Jezus aan het Kruis heeft toegeëigend, zegt niet dat hij zwak ik, maar dat hij dood is. Dood zijn is heel iets anders dan zwak zijn. Alleen Christus is aanvaardbaar voor Gods aangezicht. Niets van mijzelf kan voor God verschijnen, helemaal niets. Ik kan niet met iets van mijzelf en iets van de Here Jezus voor God staan. Het heerlijke feit is, dat ik in Christus ben. Alleen dat maakt mij aanvaardbaar voor God. Maar dan moet ik ook van de volle vrijmoedigheid gebruik maken, in grote blijdschap de Here prijzen en Hem dienen en liefhebben. Er is dan geen plaats meer voor terughoudendheid.

De roeping
Ik hoor wel eens zeggen dat God die gelovigen bij elkaar brengt die werkelijk een verlangen naar Hemzelf hebben, alsof God ze uit verschillende groeperingen zou uitfilteren om deze in een nieuwe, aparte gemeente te doen samenkomen. Dat lijkt mij zeer onbijbels en een zeer kwalijke gedachte. Ook heb ik over gelovigen, die de samenkomsten verlieten, horen zeggen: “Ze hebben de gemeente niet gezien.” Ook dat is een kwalijke gedachte. Of misschien zat er toch een waarheid in: wat ze gezien hebben was misschien inderdaad niet de gemeente, maar een club “zieners”. Een groep waarin ongeregelden, kleinmoedigen en zwakken het niet volhouden en afhaken, functioneert niet naar behoren. “Wijst de ongeregelden terecht, beurt de kleinmoedigen op, komt op voor de zwakken, hebt geduld met allen” (1 Tess. 5:14).
Zo zien we dat verlangen naar God geen basis is voor samenkomen, maar wel onmisbaar is voor de bouw van Gods Huis. Misschien heeft niet iedere gelovige met wie wij samenkomen die roeping tot de bouw van Gods Huis gehoord, dat wil zeggen innerlijk verstaan. Dat geeft niet. Het blijft natuurlijk wel ons streven dat iedere broeder en zuster die roeping verstaat en ernaar gaat handelen en wandelen. Maar ondertussen moet ik in de eerste plaats toezien op mijzelf. Wandel ik werkelijk waardig volgens de roeping?

H.d.J.


april 2011

Verlangen naar God (deel 1)


Mijn ziel dorst naar God (Ps. 42)

Psalm 42 en 43 zijn door de Korachieten geschreven, de Levitische afdeling die de verantwoordelijkheid had voor (de muzikale ondersteuning van) de lofprijzing in de tempel. Blijkbaar bevinden ze zich in een geestelijk dieptepunt. Met heimwee denken ze terug aan de tijd dat een grote stoet optrok naar de tempel om God te loven en te prijzen. Toch spreken ze zichzelf moed in: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven!” Ze zagen verder dan de tempel zelf. Ze zagen op het doel, de functie van de tempel: aanbidding. Wij spreken graag over de bouw van Gods Huis nú, de gemeente. We zien de gemeente in een geestelijk dieptepunt. Hoe brengen we de gemeente terug op Bijbelse grond? Laten we ons eerst afvragen wat de functie van de gemeente is. De functie van de gemeente is, net als de tempel in het Oude Testament, de plaats te zijn waar God aanbeden wordt. Daarmee wordt niet een fysieke ruimte bedoeld waar praise-avonden gehouden kunnen worden, maar de gemeenschap van gelovigen die samen leren God in hun persoonlijk en gezamenlijk leven de eer te geven die Hem toekomt: de Allerhoogste.

“Mijn ziel dorst naar God,” zegt de Korachiet. Hij verlangt intens naar God. Hij laat het daar niet bij. Hij gaat er mee aan de slag. Hij stelt zich op tegen de vijand, tegen spotternij en tegen zijn eigen neerslachtigheid. God zal krijgen waar Hij recht op heeft: aanbidding! Zonder het verlangen om te zetten in daden heeft het niet veel waarde. Daniël, Ezra en Nehemia vatten de daad bij het woord. God gaf hen een verlangen in het hart. Ze zetten het om in gebed. Ezra “had er zijn hart op gezet om de wet des HEREN te onderzoeken en haar te volbrengen, en om in Israël inzetting en verordening te onderwijzen” (Ezra 7:10). Nehemia gaat met onvoorstelbare moed, visie, inzet en energie aan de slag om de muren van Jeruzalem te herbouwen. Verlangen naar God is niet iets dweperigs. Het maakt ons resoluut en daadkrachtig.

Ziel en geest
“Mijn ziel dorst naar God”. Had daar niet “mijn geest” moeten staan? Ziel betekent hier eenvoudig het binnenste. Hoewel er onderscheid is tussen ziel en geest moeten we niet in de strik vallen van een overdreven technische analyse van het binnenste van de mens. Niemand zal de Korachiet beschuldigen van zielse godsdienstigheid, van ongeestelijkheid. Met ziels bedoelen we gedrag en levenswijze die bepaald worden door indrukken, gevoelens of redenaties zonder deze te onderwerpen aan het gezag van de Heilige Geest en Gods Woord. Een overdreven technische benadering van ziel en geest leidt tot stoïcijns worden, koud, verkrampt, geremd en zelfs hoogmoedig. We lopen het gevaar alles te veroordelen wat levendig, spontaan en uitbundig is. Ziels houdt in dat het zelfleven, het ego, niet wil buigen, niet uit de weg wil gaan. Dat wat geestelijk lijkt, kan in werkelijkheid een getemde ziel zijn, een ziel die onder controle is, niet van de Heilige Geest, maar van zichzelf; geen zelfbeheersing (want dat is een onderdeel van de vrucht van de Geest), maar zelfverheffing, een gepolijst ego. Iemand die werkelijk geestelijk is, weet hoe hij zijn ziel onder de heerschappij van de Heilige Geest moet brengen. Daardoor is hij in staat om ondanks teleurstelling de Heer uitbundig te loven. Hij is bij “Gods altaar” geweest (Ps. 43:4), bij het Kruis van de Here Jezus, met Wie Hij meegekruisigd is. Het resultaat is lofprijzing, jubelende vreugde.

De hoogste weg
Is het niet egoïstisch om God voor mijzelf te verlangen? Nee. Het is namelijk zo dat zodra we met dat verlangen aan de slag gaan, God ons op een hogere weg brengt, een weg die leidt naar datgene waar de Schepper Zelf naar verlangt. Het verlangen naar God krijgt dan een andere, diepere dimensie. De Here zal ons altijd tot die diepte willen brengen. “Watervloed roept tot watervloed” (Ps. 42:8). Ons verlangen wordt dan Gods welbehagen. Jesaja 53 onthult iets van dat welbehagen, dat onlosmakelijk verbonden is met Zijn Zoon, in Wie al Zijn welbehagen is. Daar wordt gesproken over de vrucht van Zijn lijden, het nakomelingschap, de voortgang van het voornemen des HEREN. De Here gaat ons in die lijn brengen. Hij zal ons bij tijd en wijle vragen: “Wil je verder?”

Eenzaamheid
De Korachiet was zo blij met die feestvierende menigte. Nu is het voorbij. Het is stil geworden. Nu komt het erop aan. Is de Here de God van Zijn jubelende vreugde? Vindt hij zijn volle geluk in de Here Zelf? De Here heeft ons niet voor niets geschapen met een verlangen naar gezelschap, naar vriendschap. David noemt zijn ziel “mijn eenzame” (Ps. 22:21). De Korachiet kan de stilte maar moeilijk verdragen. Zijn ziel buigt zich neer en wordt onrustig. Hij wil op zoek naar wat zijn ziel weer tot rust brengt. Gelukkig komt hij tot de juiste conclusie: hij is geschapen om de Here te zoeken en Hem te loven.

H.d.J.


maart 2011

Wie een oor heeft...


Gij hebt mij geopende oren gegeven (Ps. 40:7)

Wat de Here Jezus Christus in het bijzonder kenmerkt, is Zijn gehoor. Hij heeft Zijn gehoor volledig afgestemd op de Vader. God de Vader heeft Hem “geopende oren” gegeven, zoals dat in Psalm 40 staat verwoord, oren die kunnen verstaan wat God behaagt. Het horen van de Here Jezus is tweeledig: het horen wat God Hem zegt en het gehoorzaam zijn daaraan: “Ik heb lust om Uw wil te doen.” Dat is bij de Here Jezus één geheel. De Here Jezus wil dat op Zijn beurt weer overbrengen op Zijn discipelen. Hij legt een grote nadruk op het horen: hoe horen wij? En dan blijkt dat geestelijk horen, geestelijk verstaan, met de gesteldheid van ons hart te maken heeft.

Bereikbaarheid
Hoe bereik ik God? Raakt mijn gebed Hem? Misschien moet ik mij eerst afvragen: hoeveel moeite kost het de Here God om mij te bereiken? Is mijn hart afgestemd op Hem en op het gehoorzamen van Zijn wil? De Here verheft Zijn stem niet gauw. Het zou ook zeer beschamend zijn als God Zijn stem moet verheffen om Zich verstaanbaar te maken. Wel zien we Zijn grote geduld. Hij spreekt en spreekt, zendt Zijn profeten keer op keer, soms decennia lang zonder dat Gods volk er gehoor aan geeft. Laten we Hem spreken zonder er gehoor aan te geven? Hij is God! Hoe brutaal om niet meteen te gehoorzamen! Hij spreekt en dan is het mijn verantwoordelijkheid om Zijn stem helder te verstaan.

Versta!
De NBG-vertalers hebben Efeze 5:17 vertaald met: “Tracht te verstaan, wat de wil des Heren is,” alsof God niet zo duidelijk is, je er moeite voor moet doen om Hem te begrijpen. In de Herziene Statenvertaling staat het juister: “Begrijp wat de wil van de Heere is.” Dat is een opdracht. God is duidelijk. Hij is niet vaag. Het ligt aan mij of ik Hem begrijp of niet. Natuurlijk, we moeten leren de Here te begrijpen, net als de kleine Samuël de stem van God moest leren herkennen. Wat nodig is, is een continue, vaste verbinding met God door de Heilige Geest (Ef. 5:18). Het geloof werkt niet als bij een tankstation, waar je tankt wat je nodig hebt en wegrijdt. De Heilige Geest is in ons hart komen wonen. Hij is geen tijdelijke gast. Hij is “Heer des huizes”.

Zwijg!
Eén van de moeilijkste dingen voor een christen is stil zijn, zwijgen voor God. Maar dat is dan ook noodzakelijk om Gods stem te leren verstaan. “Maar de HERE is in zijn heilige tempel. Zwijg voor Hem, gij ganse aarde!” (Hab. 2:20). “Zwijg, al wat leeft, voor het aangezicht des HEREN, want Hij maakt Zich op uit zijn heilige woning” (Zach. 2:13). We zijn zo druk, zo rumoerig. Dat maakt ons zo moeilijk bereikbaar voor de Here. “Wees stil voor de HERE en verbeid Hem” (Ps. 37:7). Het is al een groot wonder van genade dat we bij Hem kunnen zijn. Het volk Israël vroeg Mozes bij de berg Sinaï dat God niet verder zou spreken, omdat het zo’n angstaanjagende gebeurtenis was, donderslagen, rook, vuur. “Maar gij,” zegt Hebreeën 12:22, “gij zijt genaderd…” Als christen hebben we een heel andere realiteit. De tegenwoordigheid van de Heer is geen angstaanjagende ervaring, al dringt Zijn Woord door tot in het diepste van de mens en scheidt het ziel en geest. Zijn vermaningen kunnen scherp zijn, maar zijn nooit veroordelend.

H.d.J.


februari 2011

Gods welbehagen


Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem! (Matt. 17:5)

God openbaart Zich in Zijn Woord als de God van de erfenis. In Zijn goddelijk Wezen wil Hij geven, toevertrouwen. We kennen Hem als de God die dagelijks voorziet. Hij doet het regenen over goeden en bozen. Maar daarnaast wil Hij op een andere manier geven. Hij wil toevertrouwen, doen beërven, overdragen. Dat is een heel andere vorm van geven. Je geeft je erfenis niet aan een willekeurig persoon. Daar denk je goed over na. Daarom is de eeuwig God een Meervoudigheid, samen met Zijn Zoon en de Heilige Geest. “Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken,” zegt Colossenzen 1:19. Het heeft God de Vader behaagt om Zijn ganse volheid over te dragen aan Zijn Zoon Jezus Christus. Deze heeft op Zijn beurt Zijn ganse volheid beschikbaar gesteld aan “Zijn lichaam, de gemeente” (Colossenzen 1:17). Zijn grote “Overdrager” is de Heilige Geest, Degene die aan de ene kant de erfenis veilig stelt, het Onderpand is (1. 2 Kor 1,22 die ook zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft. 2. 2 Kor 5,5 God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft. 3. Ef 1,14 die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid) en aan de andere kant hard werkt aan onze levens om ons klaar te maken voor die erfenis. Dit is ten diepste het evangelie. Dit is de Verlossing: Christus wordt verheerlijkt doordat Hem Zijn Bruid wordt voorgesteld, met wie Hij Gods erfenis gaat delen en beheren. Wat een heil!

Zorgvuldigheid
God is uitermate zorgvuldig met Zijn erfenis. Hij verspilt niets. Hij weet dat Hij al dat kostbare eeuwige goed alleen aan Zijn Zoon kan toevertrouwen. Hij is de enige. Jezus Christus is beproefd gebleken. Dat was Zijn missie hier op aarde, om als Erfgenaam van de Schepper getoetst te worden, de Troonopvolger. Heeft Hij de toets doorstaan? Wat is het bewijs? “Hij is het begin,” zegt Colossenzen 1:17, “de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is.” Hij is opgestaan uit de doden! Dat is het bewijs! We zouden het ons zo kunnen voorstellen dat de Vader Zijn erfenis al klaar had liggen toen Jezus in Getsemane worstelde in gebed. Daar kwam Jezus tot de grote overwinning. Hij werd naar het Kruis geleid. De erfenis van God was bedoeld voor de mens, maar die mens was door de zonde buiten het bereik ervan gekomen. Er stond – als het ware – in Gods Testament geschreven: “Ik geef alles aan Mijn verheerlijkte Zoon, dat wil zeggen, aan Mijn Zoon met inbegrip van de door Hem met Mij verzoende mensheid.” Daarom stelt God in Zijn zorgvuldigheid een voorwaarde, een “indien”: “… indien gij slechts wel gegrond en standvastig blijft in het geloof en u niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie (Colossenzen 1:23). En juist hier moet ik mijn hoofd buigen. Was ik maar “slechts wel gegrond en standvastig”. Zijn we dat? Als we het niet zijn, zullen we ons dan bekeren en ons opnieuw toewijden?

De verloren zoon
God is naast zorgvuldig ook barmhartig, genadig, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid. In het verhaal van de verloren zoon zien we hoe de erfgenaam zijn erfdeel verkwanselt. Hij komt tot berouw en bekering. De vader staat hem al op te wachten en richt een feest voor hem aan. Let op de kritiek van zijn broer en op de reactie van de vader (Lucas 15:11-32). Als we werkelijk “ernst nemen met zulk een heil” (Hebr. 2:3), dan hebben we een andere houding tegenover onze broer die teruggekeerd is. Dan zijn we net zo blij als de Vader. Dan omarm ik mijn broer en zeg tegen hem: “Zullen we vanaf nu samen standvastig zijn? Zullen we elkaar daarbij helpen? Laten we zorgen dat niets van de erfenis van onze geliefde Vader verloren gaat!”

Alles in Christus
Al Gods welbehagen is in Zijn Zoon Jezus Christus. De rijkdommen in Christus zijn onnaspeurlijk (Ef. 3:8). In Hem zijn we gezegend met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten (Ef. 1:3). “… gij hebt de volheid verkregen in Hem” (Colossenzen 2:10). “Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed” (Joh. 10:10). Wat zouden we daarom nog buiten Hem zoeken? Waarom zou ik niet “wel gegrond en standvastig blijven in het geloof”. Is er iets wat mij “laat afbrengen”? Misschien geen grove zonde. Misschien een te grote hang naar vermaak. Misschien wil ik iets ervaren. Ik wil iets voelen, genieten. Geloof ik dat als ik mijn hart volkomen op Christus zet, in alles voldaan wordt, niets tekort kom? “Wie van vermaak houdt, zal gebrek lijden” (Spreuken 21:17), “Jonge leeuwen lijden ontbering en honger, maar wie de HERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed” (Psalm 34:11). Geloof ik dat werkelijk? We moeten die jonge leeuwen in ons van de honger laten omkomen! “Verlos toch mijn ziel van hun verwoestingen, mijn eenzame, van de jonge leeuwen” (Psalm 35:17). Ook als we wat ouder worden, kunnen die jonge leeuwen nog in ons hart brullen. “Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven. Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking (Romeinen 8:13-17).

H.d.J.


januari 2011

Openbaring


Dan zal ik ten volle kennen (1 Cor. 13)

Als jong christen vertelde ik een oude broeder enthousiast over de studie die we als plaatselijke gemeente gedaan hadden over het boek Openbaring. Ik zei dat we Openbaringen het boek van de overwinnaars genoemd hadden. Ik verwachtte een goedkeurende glimlach, maar hij keek me nogal streng aan en zei: “Ten eerste is het niet Openbaringen, meervoud, maar Openbaring, enkelvoud. Dat is belangrijk, want als je Openbaringen zegt, denk je dat het om allerlei gebeurtenissen gaat. Maar het is maar één openbaring. Ten tweede is het niet het boek van de overwinnaars, maar, zoals het eerste vers al aanduidt: ‘Openbaring van Jezus Christus.’ Het gaat over Jezus Christus.” Die opmerking heeft me nooit meer losgelaten.

Geestelijk inzicht
Willen we geestelijk groeien in Christus, dan is geestelijk inzicht een belangrijke factor. Maar wat is geestelijk inzicht? Waarom houdt Paulus niet op te bidden om de Geest van wijsheid en openbaring om Hem recht te kennen, verlichte ogen van het hart (Ef. 1:17 en 18)? Wel, het staat erachter: “Zodat gij weet...” Wat we moeten weten komt hier op neer: de grootheid, de majesteit van onze Here Jezus Christus. Hem kennen, dat is waar ons christenleven mee begint en dat is wat ons de hele weg doet gaan, zicht op de Here Jezus, de Here Jezus als Bron en de Here Jezus als Doel.

Gods Woord
Voor geestelijk inzicht en openbaring is het nodig om Gods Woord te kennen. Immers, Christus is het Woord van God. De Bijbel is het Levende Woord. Alles wat God wil zeggen is “Christus”. In Hem ligt alles besloten wat God wil zeggen. God spreekt in Zijn Zoon (Hebr. 1:1). Dat betekent dat als we de Bijbel lezen, we telkens Christus moeten zien te vinden, ontdekken, Hem daarin leren kennen en herkennen. God weet wat we nodig hebben: leven, Zijn leven. “In het Woord was leven,” zegt Johannes, “en het leven was het licht der mensen.” Er staat dat Jezus het waarachtige licht is, dat ieder mens verlicht.

Verlichting
Dat brengt ons bij een gevaarlijk onderwerp: verlichting. Het is belangrijk om te zien dat Jezus het waarachtige licht is, dat ieder mens verlicht. Met andere woorden, de verlichting gaat van Hem uit. Het is dus niet zo dat er sommige mensen zijn die door spirituele oefening doordringen tot diepere geheimen van geestelijke dingen. Dat is New Age. Dat is duisternis. Dat is “Lucifer-verlichting”. Toch kunnen sporen van dat soort denken ons besmetten. We kunnen denken dat wij iets weten dat andere christenen niet weten en ons daardoor verheven voelen boven hen. We zijn ingewijden in het diepere inzicht, niet dat oppervlakkige gedoe. Als er zo’n spoortje in onze gedachten aanwezig is, moeten we dat onmiddellijk zien kwijt te raken. Meestal zijn dergelijke gedachten gebaseerd op het ontvangen van informatie. Je leest iets in een boek en het grijpt je: “Oh, dit heb ik nog niet eerder gezien!” Je vertelt het aan iedereen die je tegenkomt: “Moet je dit eens lezen!” Maar de vraag is: is het leven? Is er verandering naar het beeld van Jezus Christus? Heeft het kennis van Gods Zoon opgeleverd? Heeft het je nederiger en zachtmoediger gemaakt? Heb je afgerekend met onreinheid? Ben je eerlijker geworden? Heeft het je meer geestelijke draagkracht gegeven om anderen te kunnen dienen? Heeft het je gemopper veranderd in dankbaarheid en aanbidding? Draagt het vrucht? Gods Woord, omgezet, toegepast in de dagelijkse praktijk, draagt vrucht (Psalm 1). God heeft Zijn Levende Woord aan de totale mensheid gegeven, het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht. Laten we niet zijn als diegenen tegen wie de Here Jezus moest zeggen: “Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben.”

Christus alleen
Christus als Bron en Christus als Doel, is dat niet een wat bekrompen leven? Het klinkt eng en benauwd: alleen Christus. Maar als we Christus leren kennen, ervaren we juist dat we in een onbeperkte ruimte komen. Juist die dingen waarvan je denkt dat je ze zult missen, zijn het die jouw leven beperken. De bron van het verderf is de begeerte (2 Petr. 1:4). De dood is niet afwezigheid van leven, maar een macht die het leven tegenwerkt. De begeerte in mij zegt dat als ik dit of dat niet krijg of ervaar in mijn leven, ik iets van het leven mis. Het tegenovergestelde is waar. De begeerte (van het vlees) brengt dood voort. De goddelijke natuur die we in Christus ontvangen hebben, doet ons ontkomen aan het verderf. “Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles, wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem, die ons geroepen heeft door zijn heerlijkheid en macht” (2 Petr. 1:3).

H.d.J.