Blog archief 2011
januari 2012
deel 7: De volheid van Christus: Zijn wijsheid
Schriftgedeelte:
“… die ons van God is geworden … wijsheid” (1 Cor. 1:30)
Referenties:
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)
De wijsheid van de Here Jezus is dat Hij weet dat Hijzelf de Wijsheid van God
is. Hij is Zelf mens, verheerlijkte mens, maar niettemin honderd procent mens,
"aan zijn broederen gelijk geworden" (Hebr. 2). Hij weet dat het nodig is om
tot het niveau van de mens neer te dalen om Zijn hart met de mens te delen. Hij
openbaart Zich aan "kinderkens" (Matt. 11). Hij zegt niet: "Probeer Mij maar
eens te bereiken,” maar zegt: "Kom tot Mij..." Hij is een onvergelijkelijke
Leermeester. "Leert van Mij," zegt Hij en daalt neer en begint op ons niveau,
zonder enige voorwaarde te stellen.
De pas-als-dan-boodschap
Wij maken het onszelf soms nodeloos ingewikkeld. Omdat we de Here Jezus niet
kennen, gaan we op zoek naar alternatieven en die vinden we maar al te gauw. We
merken dat het ons ontbreekt aan de volheid van Christus en beginnen van
allerlei wegen te bedenken voor het bereiken van die volheid. Het worden de
"pas-als-dan-boodschappen": pas als we dit of dat bereikt hebben, dan zal de
Heer..." Je hebt ze in twee vormen. De ene spreekt in termen van "meer" en
"beter", zonder concreet te zijn. Deze boodschap werkt geestelijke verlamming
in de hand. De andere spreekt in termen van stappenplannen: eerst de ene stap,
dan de andere stap, en dan nog een tree hoger, totdat we de volheid bereikt
hebben. Deze boodschap werkt frustratie in de hand. Er was eens een broeder die
een "pas-als-dan-boodschap" aan het toepassen was en ontdekte dat het bij hem
niet werkte. Hij gaf het bijna op, maar toen schoot hem de tekst te binnen:
"Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijn.” Dat leek een opluchting te
brengen. Hij deelde deze ontdekking met een andere broeder, maar die zei: "Je
kunt pas tot de Here komen als je echt vermoeid en belast bent. Dan kun je de
Here leren kennen in Zijn volheid. Je bent misschien nog niet vermoeid en
belast, of nog niet genoeg vermoeid of belast, nog niet echt..." De eerste
broeder zakte volledig in elkaar. Hij was vermoeid en belast, maar nog niet
vermoeid en belast genoeg? Gelukkig herkende hij de valstrik. Hij gooide zijn
aantekeningen in de vuilnisbak. Al die punten van het stappenplan kon hij toch
niet onthouden. Hij zei: "Here, U heeft mij gekocht en betaald met Uw bloed. Ik
ben van U. Ik ben in Uw hand, onder Uw zachte juk. Ik wil van U leren. U bent
nederig en zachtmoedig van hart."
Een gekruisigde Christus
Paulus zegt: "doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een
aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden
zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods"
(1 Cor 1:23,24). Hij zag allerlei problemen en misstanden in de
Corinthe-gemeente en heeft ongetwijfeld veel gebeden over wat hierop het
antwoord was. "Wat is Gods wijsheid in deze zaak?" moet hij gedacht hebben.
"Christus en die gekruisigd", was het antwoord. De problemen en misstanden
waren terug te voeren tot een kern: vlees of geest, vleselijk of geestelijk.
Tussen die beide werelden staat de gekruisigde Christus. De Here Jezus heeft
afgerekend met de mens als vleselijk wezen, de oude mens, en in Zichzelf de
mens weer teruggebracht tot zijn oorspronkelijke staat van een geestelijk
wezen. Paulus moet zich gerealiseerd hebben dat als die waarheid tot de
gelovigen te Corinthe zou doordringen, ze weer de goede weg in konden slaan.
Dan zou er hoop zijn voor deze gemeente. Paulus is er van overtuigd dat
"Christus en die gekruisigd" zelfs deze gelovigen onberispelijk kan doen staan
op de dag van de Here Jezus (zie vers 8). Want ook al hebben we de Heilige
Geest ontvangen, we moeten hervormd worden door de vernieuwing van ons denken
(Rom. 12:2), leren in nieuwheid des levens te wandelen. Ons uitgangspunt, ons
vertrekpunt is in Christus te zijn; daar hoeven we niets voor te doen. Het is
een heilsfeit. We hoeven nooit meer een bordje om onze nek te hangen met "niet
goed genoeg". We mogen een bordje om onze nek hangen met "volmaakt in
Christus". "Niet goed genoeg" hoort bij die wereld vóór het Kruis van Christus.
Daar is de aanklager, Satan, altijd bijzonder succesvol. Daar is vermoeidheid,
frustratie, kramp, een ondraaglijk zwaar juk. Achter het Kruis van Christus
begint onze wandel in nieuwheid des levens, volgens geestelijke principes en in
de kracht van de Heilige Geest. De weg tot de volheid van Christus begint in
volheid, volmaaktheid. Alles is er. Alles wat we nodig hebben is in Hem.
Meer van Christus
"Ja maar," hoor ik iemand zeggen, "er is toch méér van de Heer? We zijn toch
armoedig? Wees eerlijk!" Inderdaad. Maar begin niet bij de mens. Begin bij God.
De Heer is nooit vaag. Ik hoor zo vaak bidden: "Och Heer, wat staat u in de
weg? Breng het aan het licht! Begin bij mij!" En dan ontstaat er een sfeer
waarin er een soort Achan opgespoord moet worden, een rotte appel die alles
besmet. En er gebeurt niets. Het blijft stil. Dan maar weer extra bidstonden
organiseren voor opwekking? We hebben nog niet hard genoeg tot de Here
geroepen... Hij heeft nog niet genoeg tranen gezien... niet genoeg, niet
genoeg, niet genoeg... Nee, dat is niet de weg. De weg naar meer van de Heer
begint bij Zijn volkomenheid, Zijn algenoegzaamheid. Met vrijmoedigheid gaan we
tot de Troon van genade, niet met schroom, niet ons bekerend, niet angstig
zoekend naar dingen in ons leven die Hem misschien in de weg zouden kunnen
staan: "Misschien wil de Heer dat ik niet meer dan drie kopjes koffie per dag
drink... Misschien wil de Heer dat ik dat schilderij van de muur haal...
Misschien, misschien..." Nee, de Heilige Geest spreekt altijd duidelijk, ook al
is Zijn stem meestal een "het suizen van een zachte koelte" (1 Kon. 19:12). We
hebben een verkeerd beeld van heiligheid. Echte heiligheid is vrijmoedig en
blij. Meer van Christus willen we. Heel goed. Maar als het goed is, hoeven we
dat niet van Hem af te smeken. De wijsheid van God is dat we al binnengebracht
zijn in de volheid van Christus.
wordt vervolgd
H.d.J.
december 2011
De volheid van Christus
deel 6: De volheid van Christus: Zijn heerschappij
Schriftgedeelte:
“Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde” (Mat. 28:18)
Referenties:
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)
Heerschappij is één van de hoofdthema’s in de Bijbel, ofwel beheer van
rechtmatig bezit. De Here Jezus heeft zoveel macht, dat Hij stenen in brood kan
veranderen, maar Hij doet het niet (zie Mat. 4). Want het is niet de wil van de
Vader. Hij kan legioenen engelen bevelen om Hem terzijde te staan om het
“arrestatieteam” van Judas te vernietigen, maar Hij doet het niet. Want het is
niet de wil van de Vader. Als Hij de wil van de Vader niet gedaan zou hebben,
zou Hij alles verloren hebben waar het om draait, Zijn rechtmatig bezit. Het
gezag van de Here Jezus is onlosmakelijk verbonden met Zijn gehoorzaamheid en
onderworpenheid aan de Vader. In de Here Jezus is volheid van heerschappij.
Niemand zag dat toen Hij gekruisigd werd, behalve God de Vader. Hij leek
volkomen machteloos, maar was op weg naar de grootst mogelijke overwinning, die
Hem naar de Troon van het heelal zou brengen, het Koningschap over de zichtbare
en onzichtbare schepping, het Hoofdschap boven alle macht en kracht en
heerschappij en alle naam. Hij is door de Vader gekroond tot Heer en tot
Christus. Maar er komt nog iets bij kijken. De Here heeft verkozen om Zijn
absolute heerschappij te bewijzen door een zodanig Verlossingswerk, dat mensen
als u en ik, die zondaren waren, onder de heerschappij van Satan waren,
deelgenoten worden in het beheer van Zijn Koninkrijk. En dat doet Hij niet
zomaar, maar Hij maakt ons waardig om die taak te kunnen en mogen vervullen.
Hij verandert ons binnenste zo volkomen, dat we geschikt gemaakt worden voor
die plaats, naast Hem op de Troon! Dat is pas absolute heerschappij!
Gedelegeerd gezag
We komen nu op gevaarlijk terrein. Dit onderwerp, de heerschappij van Christus,
gekoppeld aan Zijn vrijgekochten, roept vijandschap op, zet de machten van de
hel in beweging. Maar het moet genoemd worden. We blijven anders steken bij
onszelf. We zoeken de Here te dienen, we hebben Hem lief en willen een heilig
leven, maar botsen steeds weer op onszelf. Ja, het is geweldig als we leren om
verzoekingen te weerstaan. Het is heerlijk om te ervaren dat er genade is “te
gelegener tijd”, zodat we niet uit ons vlees reageren, maar naar de Geest. Het
is geweldig als we leren om onze tijd goed te besteden. Dank de Heer als het
gelukt is om niet naar een onzinnig TV-programma te kijken, maar de avond in
gebed te besteden, te evangeliseren of Bijbelstudie te doen. Dank de Heer als
je je luiheid overwint. Dat is iets groots, echt. Maar we moeten niet denken
dat het de Heer daarom te doen is. Alles is gericht op een doel dat die
heiliging en toewijding overstijgt, waar die heiliging en toewijding een middel
toe zijn: het kunnen delen in de heerschappij van Christus. Denk aan de
hoofdman in Mattheus 4. Hij kende het principe van gedelegeerd gezag. Hij
geloofde dat de Here Jezus overal boven stond en daarom slechts een woord
hoefde te spreken om zijn knecht te genezen. De hoofdman hoefde zich niet op te
werken tot een hoog geloofsniveau. Hij hoefde niet eerst iets aan te Here Jezus
te bewijzen voordat de Here op zijn verzoek inging. Hij klampte zich vast aan
wie de Here Jezus is. Dat is wat we moeten doen.
Gelijkvormigheid aan het beeld van Christus
De Here God heeft ons geroepen tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn
Zoon, Jezus Christus (Rom. 8). Door lijden heen wordt het leven van de Here
Jezus in ons gevormd. We leren het oude af te leggen en het nieuwe aan te doen
(Ef. 4). Iets van de heerlijke eigenschappen van de Here Jezus komt
tevoorschijn: Zijn liefde, Zijn nederigheid, Zijn zachtmoedigheid, Zijn
reinheid. Maar het gaat er niet om dat ik nu zo’n nederig persoon wordt. Die
nederigheid is één van de eigenschappen die nodig zijn om met Christus te
kunnen heersen, zodat de volle heerschappij van Christus uitgeoefend kan
worden. Zijn liefde en reinheid zijn nodig om die verantwoordelijkheid te
kunnen dragen, zodat heel de schepping met verbazing zal zien hoe groot de
heerschappij van Christus is, omdat Hij Zijn gezag heeft kunnen toevertrouwen
aan wezens die eens vijanden van Hem waren en zondaars. Wat is er toch met deze
mensen gebeurd?! Hoe heeft God dat voor elkaar gekregen?! Dan wijst God op Zijn
Zoon en op Zijn volbrachte werk aan het kruis van Golgotha.
Het conflict Het is een strijd van geloof. Alle machten van de duisternis zijn
erop uit om ons naar beneden te trekken, ons af te leiden van ons zien op
Jezus. Soms moeten we van minuut tot minuut voet bij stuk houden, voortdurend
de vijand afwijzen en onze toevlucht tot de Heer nemen. We zijn gewikkeld in
een enorme strijd. De vijand wil niet dat het Koningschap van de Here Jezus
zichtbaar wordt in een mensenleven en helemaal niet in een plaatselijke
gemeente. Het is opvallend hoe vaak een brief in het Nieuwe Testament eindigt
met een opmerking die betrekking heeft op deze hemelse oorlogsvoering. De
Romeinenbrief, o ja, die gaat toch over het met Christus gekruisigd zijn en het
leven in de Geest? Jazeker, maar wat dacht je van het vers “Weldra zal de Here
de Satan onder uw voeten vertreden.”? Corinthiërs, o ja, dat over het
functioneren van de gemeente in eenheid, toch? Jazeker, maar wat dacht je van
“De wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God. Elk
bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus.”?
En “Dood, waar is uw prikkel? Verzwolgen in de overwinning.” Steeds weer komt
die strijd naar voren, het grote conflict van de eeuwen. De Here Jezus is Heer.
Hij is Koning. Maar Hij wil dat Zijn heerschappij uitgevoerd wordt door uw en
mijn leven heen. De wereld ziet dat misschien niet in eerste instantie. De
vijand van Christus denkt misschien terug te kunnen slaan. HIj doet William
Tyndale op de brandstapel belanden en denkt dat hij de verspreiding van Gods
Woord zo tegenhoudt. Maar William Tyndale bidt, vlak voordat hij sterft: “Here
God, open de ogen van de koning.” Een paar jaar later besluit koning Hendik
VIII, hoe omstreden hij ook is, dat op elke preekstoel in Groot Brittanië een
Engelse Bijbel moet komen te liggen. William Tyndale had een gezagdragend gebed
uitgesproken. Was hij slachtoffer? Nee, Hij heerste met Christus.
wordt vervolgd
H.d.J.
november 2011
De volheid van Christus
deel 5: De volheid van Christus: de gerechtigheid van God
Schriftgedeelte:
“Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is
geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, …” (1 Cor.
1:30)
Referenties:
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)
De Here Jezus wordt verschillende keren “de Rechtvaardige” genoemd
(bijvoorbeeld Hand. 3:14). Toen de Romeinse hoofdman zag wat er tijdens het
sterven van Jezus gebeurde, verheerlijkte hij God en zei: “Inderdaad, deze mens
was rechtvaardig!” (luc. 23:47). Toch zal hij de inhoud niet volkomen gevat
hebben. De Here Jezus was als Mens op aarde oneindig veel meer dan een
weldoener, iemand die opkwam voor de zwakken, zieken en verdrukten of iemand
die nooit iets fout deed. Hij was rechtvaardig in Gods ogen. Hij openbaarde de
gerechtigheid van God, was het levende voorbeeld van Gods gerechtigheid. De
Here God heeft Zijn Zoon verheerlijkt, omdat Hij het werk volbracht heeft wat
Hij Hem te doen gegeven heeft (Joh. 17). Het werk was de uitkomst van wie Hij
was en is. Hij is de waarheid: wat Hij zegt, doet Hij en Hij doet het omdat Hij
zo is. Zet alle uitnemende kwaliteiten van de Here Jezus maar eens op een rij,
gegrond op Gods Woord: nederig, zachtmoedig, menslievend, heilig, machtig,
absoluut gehoorzaam aan de Vader, wijs, en ga zo maar door. En elke van deze
eigenschappen is ook nog eens van een bovenmenselijk niveau. Hij is van boven,
niet van deze aarde. Het zijn goddelijke kwaliteiten, die buiten het bereik van
de mens als gevallen schepping liggen. Het wonder van genade is nu, dat de Here
Jezus door Zijn gerechtigheid als smetteloos offer aan God aangeboden kon
worden voor de Verzoening van onze ongerechtigheid. En nog meer: door Zijn
gerechtigheid kon de dood Hem niet vasthouden en heeft God Hem opgewekt uit de
doden en Hem aan Zijn rechterhand gezet, met als gevolg voor ons dat als wij in
Hem geloven, ons Zijn gerechtigheid wordt toegerekend.
Toegepaste gerechtigheid
Het leven met de Heer nu, is in feite niets anders dan Gods toegerekende
gerechtigheid te maken tot toegepaste gerechtigheid. Oswald Chambers zegt in
“Geheel voor Hem”: “Wat God heeft ingewerkt, moeten wij uitwerken.” Paulus
gebruikt in de Romeinenbrief de frase “gehoorzaamheid des geloofs”. Je zet een
stap in gehoorzaamheid, ook al denk je dat wat God van je vraagt, nooit
gerealiseerd kan worden, en tot je grote verbazing en blijdschap en tot roem en
aanbidding van God blijkt het wèl te kunnen. Geloof is de grondslag van de
toegerekende gerechtigheid van God, de gerechtigheid die ons de status van kind
van God geeft, maar evengoed is geloof de grondslag voor toegepaste
gerechtigheid, de gerechtigheid die is uitgegroeid, tot volwassenheid gekomen,
ons de status van “zoon” geeft. De waarschuwing die zo vaak in de brieven van
het Nieuwe Testament doorklinkt is, dat de toegerekende gerechtigheid van
weinig waarde is, als die niet wordt toegepast. En naast een waarschuwing
klinkt er ook een heerlijk aansporing in door, namelijk dat de Here God met dat
Hij ons de gerechtigheid in Christus toerekent, ons de absolute zekerheid
geeft, dat deze ook tot het einde toe in ons leven uitgewerkt wordt.
Voortdurend gaan we door eenzelfde ervaring, waarin het principe van de
opstanding werkzaam wordt: leven uit de dood.
Het geloof van Abraham
Het principe van geloof in de opstanding, leven uit de dood, overwinning over
de vergankelijkheid, vinden we geïllustreerd in Abraham. Hij legt Isaac op het
altaar. Hij geeft nota bene Gods belofte prijs! Maar Isaac is niet zomaar een
zoon. Hij is verkregen uit een onmogelijke situatie, ook al volgens het
principe van leven uit dood, de opstanding. Je zou kunnen zeggen dat de dood al
over Isaac heen gegaan was, voordat hij geboren werd. Abrahams eigen lichaam
was verstorven en Sara’s moederschoot was gestorven, zegt het Woord (Rom.
4:19). Isaac is daarmee een beeld van wat hemels is, eeuwig leven. En wat kan
er met eeuwig leven gebeuren? Het kan alleen nog maar op echtheid getest
worden. Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. De
Here Jezus zegt over Abraham: “Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn
dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd” (Joh. 8:56). Geloof is
onlosmakelijk gekoppeld aan “de dag van de Here Jezus”, het zien op Jezus, waar
de Hebreeënbrief ons toe aanspoort. Een andere weg tot praktische gerechtigheid
is er niet, een weg van blindelings vertrouwen op God.
Hongeren en dorsten naar gerechtigheid
“Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd
worden,” zegt de Here Jezus in de Bergrede (Matt. 5:6). Als we ons verlangen
naar God bij Hem bekend maken, moeten we weten dat we meer dan Zijn troost
zoeken. We willen graag een “aanraking”, een duidelijk teken van Hem dat Hij
nabij is, iets waar we kippevel bij krijgen. In feite vragen we om ons meer en
meer gelijkvormig te maken aan het beeld van de Here Jezus. We vragen om meer
van de gerechtigheid van Christus in ons uit te werken. Gods antwoord op ons
verlangen naar Hem kan daarom vaak onverwachte vormen aannemen, soms zelfs
tegengesteld aan onze verwachting. Dan komt het erop aan. Het moment van de
test op echtheid van het hemelse leven is gekomen. Voharden we? Houden we vast?
Blijven we blindelings vertrouwen op God, “ziende de Onzienlijke”? Het
resultaat is loutering, heiliging, reiniging en... blijdschap! Nee, deze vrucht
van gerechtigheid komt niet van zelf. We gaan door lijden en strijd heen, de
“tuchtiging van de Here” (Zijn opvoeding tot volwassenheid). Maar de Here God
wil weten wat dat verlangen van ons naar Hem voorstelt.
Toenemende gerechtigheid
“wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen;
want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een ieder, die deze hoop op Hem
heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is (1 Joh. 3:2,3). We zien in dit vers het
doel waar God naartoe werkt in ons leven: gelijk zijn aan Zijn Zoon. Een steeds
dieper gaande reiniging is nodig om tot dat doel te komen en volgens dit vers
moeten we dat zelf doen. De Heilige Geest wijst ons de dingen aan waarvan we
ons moeten reinigen en dan is het aan ons om gehoor te geven. Elke dag zijn er
weer nieuwe lessen. Het lijkt een eindeloze weg, maar de Here bemoedigt ons
altijd. Hij veroordeelt nooit. Hij geeft ons een steeds helderdere kijk op wat
gelijk zijn aan de Here Jezus inhoudt. Dachten we misschien eerst nog dat er
een soort mystieke intimiteit mee bedoeld werd, gaandeweg leren we dat er zeer
praktische zaken mee gemoeid zijn, die te maken hebben met onze toekomstige
taken en verantwoordelijkheden, het delen in de erfenis met Christus en alles
wat dat met zich meebrengt. In Openbaring 19 wordt twee keer over smetteloos
fijn linnen gesproken. In vers 8 zien we de Bruid van Christus, die een kleed
van blinkend smetteloos fijn linnen krijgt, “… want dit fijne linnen zijn de
rechtvaardige daden der heiligen.” Dan zien we in vers 14 de hemelse
heerscharen, de engelenmacht die ingezet wordt bij het oordeel over de
ongelovigen, eveneens in smetteloos fijn linnen. Wil dit zeggen dat de
rechtvaardige daden der heiligen direct verband hebben met de uitvoering van
het oordeel van God over de heidenen met behulp van de engelen? Ik geef het ter
overdenking. In ieder geval is het zo dat de Here God ons verantwoordelijkheid
zal toevertrouwen op grond van wat we hier tijdens ons aardse leven aan
rechtvaardigheid gedaan hebben, natuurlijk naar de mate waarin Hij dat van ons
mocht verwachten. Maar de oproep is duidelijk: “Wie rechtvaardig is, hij
bewijze nog meer rechtvaardigheid” (Op. 22:11). Moet ik dan een opvangcentrum
voor drugsverslaafden beginnen? Dat zegt de Heer niet. Misschien is Hij er wel
eerst op uit dat die onuitgesproken lelijke reacties en irritaties verdwijnen
en dat er de zachtmoedigheid en liefelijkheid van de Here Jezus voor in de
plaats komen.
wordt vervolgd
H.d.J.
oktober 2011
De volheid van Christus
deel 4: De volheid van Christus als Gods standaard
Schriftgedeelte:
“… de gemeente, die Zijn lichaam is en de vervulling van Hem Die alles in allen
vervult” (Ef. 1:23)
Referenties:
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)
Ontevredenheid
Er is geen christelijke gezindte die niet beweert het bijbelgetrouwste te zijn
van alle gezindten die er bestaan. Ook is er geen enkele gezindte waar geen
ontevredenheid heerst onder haar leden. Volgens hen zijn er dwalingen, is er
geestelijke armoede of doodsheid. De leiders willen niet naar hen luisteren,
dus is afscheiding onvermijdelijk. Ze beginnen een eigen groep en keren
daarmee, naar hun beleving, terug op Bijbelse grond. Ze noemen zich “Bijbelse
Gemeente”, want ze zijn het bijbelgetrouwste van allemaal. Tien jaar later
hebben we er een gezindte bij gekregen: de “Bijbelse-Gemeente-gemeente”. Dat is
natuurlijk niet de bedoeling. Het is het gevolg van een onvoldoende kennis van
de openbaring van Jezus Christus. Ontevredenheid kan op zich een goed teken
zijn, vanuit een honger naar meer van Christus. Hoe kunnen we een dergelijke
ervaring in goede banen leiden? Is er een antwoord op de bijna onvermijdelijke
geestelijke neergang van iets dat werkelijk uit Gods Geest voortgekomen
is?
Gods standaard
Er gebeurt iets bijzonders als we de Here Jezus ontmoeten. We worden
geconfronteerd met Gods heiligheid, met het feit dat Hij van boven komt, niet
van de aarde is. We horen in ons hart de Here God zeggen: “Dit is Mijn Zoon, in
Wie al Mijn welbehagen is.” De Here God openbaart Zijn Zoon meestal niet
zodanig dat we meteen voorover vallen, zoals Johannes in het boek Openbaring,
maar wel op zo’n manier dat we weten dat we alleen door genade kunnen leven,
alleen in leven blijven als God Zijn verzoening in Christus op ons toepast. En
het vreemde is, dat Hij ons tot Zich uitnodigt: “Kom tot Mij...” Dat is het
unieke van de Here Jezus. In plaats van bang te worden voor Zijn oordeel over
ons, worden we tot Hem aangetrokken, ondanks Zijn onvoorstelbare heiligheid en
reinheid, Zijn hemelse wezen. We worden aan de ene kant overweldigd door Gods
onvoorstelbaar hoge standaard van Zijn welbehagen en de onhaalbaarheid daarvan,
maar aan de andere kant worden we overweldigd door Zijn liefde, dat Hij ons in
Christus geplaatst heeft, waardoor we deel hebben gekregen aan die hoge
standaard, de volheid van Zijn Zoon Jezus. God is alleen tevreden met de
volheid van Zijn Zoon. Daarmee zet Hij een definitief kruis door al het
menselijke, elk menselijk pogen om Hem te behagen. En alleen op die grond, de
grond “achter het Kruis”, het Kruis voorbij, op Opstandingsgrond, kan Zijn
gemeente samenkomen. Er is alleen dan een kans van slagen om een waardige
vertegenwoordiging van de Gemeente van Jezus Christus te zijn als er aan de ene
kant dat diepe besef van onwaardigheid is in onszelf, en aan de andere kant het
geloof in de Opstanding, het leven in de Geest van Christus. Dan spreken we
niet in de eerste plaats in termen van bijbelgetrouwheid, maar in termen van
Gods ontferming. Met grote verbazing en dankbaarheid en aanbidding kom ik dan
samen met mijn broeder en zuster en weet me door genade “uitgeroepen”, uit de
wereld, uit het wereldse systeem van denken, uit Adam, in Christus, tot
Christus. En natuurlijk willen we dan zo bijbelgetrouw mogelijk zijn. De Geest
en het Woord gaan altijd samen en zijn onafscheidelijk.
Genade
De weg tot de volheid van Christus is dus genade, genade in de betekenis van de
levenskracht, de opstandingskracht, dat wat ons uittilt boven ons menselijk
kunnen. Ieder kind van God mag en moet daar telkens weer en voortdurend
aanspraak op maken. De Here God kan mij niet weigeren als ik aanspraak maak op
de Troon van genade en wil mij ook niet weigeren, omdat het offer van Zijn Zoon
dan geëerd en ten volle benut wordt. De Here God verwelkomt mij zelfs met grote
blijdschap, zodra ik de vrije toegang tot Zijn Troon weet te benutten. In die
genade zijn we geroepen tot gemeenschap met Zijn Zoon, Jezus Christus, en door
die gemeenschap kunnen wij als kinderen van God gemeenschap met elkaar
beoefenen, tot lof en eer van God de Vader samenkomen en Hem samen dienen.
Alleen met beroep op de barmhartigheden van God kunnen we Hem waardig dienen
(Rom. 12) en als lichaam van Christus functioneren. Dat is een geheel andere
insteek dan wanneer we vanuit een vooropgezet systeem samen proberen te komen,
hoe Bijbels dat systeem ook moge wezen. We hebben misschien allemaal een
bepaald beeld van hoe een gemeente moet zijn, maar het enige waar het om gaat
is de openbaring van de volheid van Christus. Daar is die “genade op genade”
voor nodig, alle heerlijke deugden van de Here Jezus waar we deel aan hebben
gekregen: liefde, lankmoedigheid, verdraagzaamheid, onzelfzuchtigheid,
nederigheid, zachtmoedigheid. Dat, samen met het dienen met de gaven van de
Heilige Geest, bouwt de gemeente.
De Erfgenaam
Iets wat onlosmakelijk verbonden is met de volheid van Christus en de genade
die we ontvangen om daaraan deel te hebben, is Zijn Erfgenaamschap. Christus
Jezus is Gods Erfgenaam, Degene die de goddelijke volheid beheert, Gods zaak
behartigt. De Here God heeft bij dit Zoonshap in gedachte dat Zijn Zoon dat
niet als individu is, maar als Huishouding, als orde, als “bedrijf”, samen met
de door Hem losgekochten. Dat is de roeping van de gemeente. Daarin komt de
grootheid van Christus ten volle tot uiting. Het moment komt, dat Jezus
Christus Zijn Koningschap zal aanvaarden. Dat is ook het moment waarop Hij Zijn
Bruid zal presenteren als de Koningin, Zijn metgezel met wie Hij zal regeren.
Zo ver is het nog niet. We leven nog in de tijd waarin we voor de Troon
opgeleid worden. Dat is de verklaring van ons lijden en ons worstelen,
beproevingen en verzoekingen, de soms zware en intense strijd in de hemelse
gewesten. We worden getest en getoetst op dat Erfgenaamschap in Christus.
Hierin leren we noodzaak van genade, de noodzaak om volledig op Hem te leren
vertrouwen, de noodzaak om onze toevlucht tot Hem te nemen. Verliezen we deze
visie uit het oog, dan zinkt de gemeente weg in het moeras van welgemeende, op
de Bijbel gebaseerde, maar aardse ideeën.
Gebed, het Woord en goede werken
Wat moeten we ons in de praktijk voorstellen bij de openbaring van de volheid
van Christus door de gemeente? Gebed neemt een centrale plaats in. Gods Huis is
een Bedehuis. Het gebed van de gemeente is de slagader waardoor het leven van
de Here Jezus kan stromen. Het is ook de basis voor Gods spreken tot de
gemeente, Zijn Woord, niet alleen in de vorm van Bijbelstudie, maar ook in
profetie, bemoediging, vermaning, correctie. De volheid van Christus is “de
hemel open en de engelen Gods opstijgend en nederdalend op de Zoon des mensen”
(Joh. 1:52), voortdurende interactie tussen het Hoofd, Christus, en het
Lichaam, de gemeente. Gebed en het Woord zijn nodig om die communicatie open te
houden en zuiver. Misschien is daar in de plaatselijke gemeente weinig animo
voor. Misschien zien zelfs de leiders dat wel helemaal niet zitten. Wel, kom
dan samen met hen die wel gehoor geven aan die opwaartse roeping in Christus,
met twee of drie, dat maakt niet uit. Sta niet stil bij wat er allemaal mis is
in de gemeente, bij die slechte leiders of de oppervlakkigheid, maar zoek samen
de Heer, naar Zijn hart.
De volheid van Christus wil altijd overstromen. Het wil vermenigvuldigd worden,
uitgedeeld worden. Als we er iets van proeven, worden we klein en laag. We
willen dezelfde weg gaan als die Hij gegaan is, de weg van zelfverloochening,
van dienen. Door de leiding van de Heilige Geest zullen we ons daarom altijd
beijveren om goede werken te doen, altijd bereid zijn om te helpen. De volheid
van Christus kiest niet in de eerste plaats het podium en de schijnwerpers,
maar het onopvallende dienen. Zoals water altijd de laagste plaatsen vult, zo
worden wij vervuld van het Levende Water, de Here Jezus Christus, als wij de
laagste weg gaan, die van Zijn Kruis.
wordt vervolgd
H.d.J.
september 2011
De volheid van Christus
deel 3: De volheid van Christus in de praktijk
Schriftgedeelte:
“… de gemeente, die Zijn lichaam is en de vervulling van Hem Die alles in allen
vervult” (Ef. 1:23)
Referenties:
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)
Onvoorwaardelijk
De Here Jezus heeft zich geheel gegeven, onvoorwaardelijk. Uit Zijn volheid
hebben wij allen ontvangen… niet de helft van Christus, niet driekwart, nee,
Hemzelf geheel en al. Maar in de praktijk van ons persoonlijk leven en van de
plaatselijke gemeente ervaren we de volheid van Christus in beperkte mate. Dat
kan goed zijn, maar ook fout. Als het fout is, hebben we het gevoel dat het
niet zo is als het behoort te zijn. Er is een mate van Christus die kleiner is
dan de Here God mag verwachten. Maar het kan ook een goede ervaring zijn,
waarin we ontdekken dat we geestelijk groeien, op weg zijn naar geestelijke
volwassenheid. In zo'n geval wordt de Here Jezus niet beperkt, maar wordt Hij
geëerd in Zijn rechtmatige plaats als Heer en Hoofd. We hebben verbinding met
Gods Troon, door de Heilige Geest. En die kan daarom Zijn werk voortzetten in
ons.
Toename
De grenzeloosheid van Christus geeft een enorme vrijheid. We spreken van
kleding die “op de groei gekocht” is, dat wil zeggen dat de maten eigenlijk te
groot zijn. De persoon voor wie de kleding bestemd is, heeft alle ruimte om te
groeien. Wel, wij hebben allle ruimte om te groeien in Christus. Hij is
oneindig groot. Dat maakt het makkelijker om gecorrigeerd te worden, vermaand
of getuchtigd. Het besef van de grootheid van Christus spoort aan om veranderd
te worden, zich aan te passen, Zijn Woord te beamen en te gehoorzamen. Is er
iets niet goed of is er een gebrek? Geen paniek. Neem alle tijd voor
verootmoediging, maar blijf niet te lang stilstaan bij de onvolkomenheid.
Aanvaard dat wat ontbreekt in Christus aanwezig en beschikbaar is. Dank Hem
daarvoor en ga gauw weer verder! Ik heb me wel eens afgevraagd waarom de engel
aan Petrus vroeg om snel op te staan (Hand. 12:7). Waarom zon’n haast als God
toch alles onder controle heeft? Het heeft te maken met de strijd in de hemelse
gewesten. In Gods soevereiniteit en wijsheid laat Hij dingen toe met het oog op
onze groei in Christus en de verheerlijking van Zijn Naam. En daarom moeten we
snel zijn, in geestelijke zin. Een te lange rouwtijd over mijn zonden is
gevaarlijk. Is er “droefheid naar Gods wil” en “onberouwelijke inkeer” (2 Cor.
7:10), dan is het tijd om op te staan en verder te gaan. De duivel krijgt
anders gelegenheid om aan te klagen en dat kan diep gaan nestelen in het hart.
Ook loopt men meer kans om toch weer in dezelfde zonde te vallen. Want in
plaats van de verzoeking af te wijzen, ga je je ermee vereenzelvigen. Je begint
toe te geven dat die zonde bij jou hoort, typisch iets van jou is. Maar dat is
een leugen. Geen enkele zonde hoort bij een kind van God! Let wel: de grootheid
van Christus geeft mij geen ruimte om te zondigen! Juist het tegenovergestelde:
ruimte om niet meer te hoeven zondigen. Er is groei mogelijk, er is vooruitgang
mogelijk, toename. We hoeven nooit te denken dat we niet meer verder komen,
onze grens bereikt hebben. Er is altijd meer van Christus te ontdekken,
gelegenheid om Hem dieper te leren vertrouwen en te kennen, te leren dat Hij
waarachtig is, dat Hij is wat Hij zegt te zijn en doet wat Hij belooft. Ten
aanzien van de zonde spreekt de Heer nooit vertroostend, maar altijd vermanend
en berispend. Hij ontfermt Zich over zondaren, maar accepteert nooit een excuus
voor de zonde. Zijn Kruis, Zijn offer, Zijn bloed is voldoende voor de
reiniging en verlossing van iedere zonde. We gooien het veel te gauw op een
accoordje met wat we onze zwakheden noemen. We grijpen te gauw naar
“beschadigde emoties”, waarmee we ons op zeer gevaarlijk terrein begeven, als
het al niet het terrein is van Freudiaanse psycho-analyse, iets wat volkomen
goddeloos is, zelfs zijn wortels heeft in Darwinisme, dat zegt dat een wezen
zich gedraagt volgens de invloeden van zijn omgeving. Zijn gedragingen zouden
altijd terug te voeren zijn naar wat hem is overkomen en zijn een manier om te
overleven. Uiteindelijk is dit een poging om zich van de verantwoordelijkheid
voor de zonde te ontdoen. Dit denken heeft de gemeente van Jezus Christus
besmet en christenen verzwakt en verlamd. Leg af! Geef op! En ga door! Er wacht
ons nog zo veel meer heerlijkheid!
De gemeente*
We hebben gelezen dat Jezus Christus gegeven is, in al Zijn volheid. De Here
God heeft daarbij iets bijzonders in gedachte, namelijk dat Hij Zijn Zoon in al
Zijn volheid gegeven heeft aan de gemeente. Dat is iets wonderlijks. Het
betekent dat Hij Zijn heerlijkheid op een bepaalde wijze wil uitdrukken en wel
in meervoudigheid. De Here Jezus is zo groot, dat een juiste weergave van Zijn
heerlijkheid alleen kan geschieden door middel van meerdere levens samen. Een
spreeuw is een vrij eenvoudig vogeltje, maar een zwerm spreeuwen is een machtig
schouwspel. De heerlijkheid van Christus is de optelsom van alles wat Hij door
de eeuwen heen in Zijn genade in mensenlevens heeft kunnen veranderen door de
toepassing van Zijn dood en opstanding. Duizelingwekkend! Niet voor niets is de
roeping van de gemeente om de vervulling te zijn van Christus. Ontbreekt er dan
nog iets aan Christus? Hij is toch de volheid? Ja, maar daar hoort de gemeente
bij! De gemeente is geroepen om Zijn aanvulling te zijn, Zijn Bruid. Zonder
haar is Hij niet compleet. Dit is ontzagwekkend! Maar zo wil de Here God het in
Zijn soevereiniteit. Dat is Zijn welbehagen. Zo is het in Zijn hart geweest van
voor de grondlegging der wereld. “… de gemeente, die Zijn lichaam is en de
vervulling van Hem Die alles in allen vervult” (Ef. 1:23). Dat geeft meteen de
richting aan van het bestaan van de gemeente. De gemeente is er voor de Here
Jezus, om Hem te vervullen. Wel, als dat onze roeping is, laten we dan ook
geloven dat Hij die roeping mogelijk maakt. En dat doet Hij. Daarvoor heeft Hij
de Heilige Geest gezonden. Er ontbreekt niets in Gods voorziening. Hij heeft
overal aan gedacht.
wordt vervolgd
- Met “gemeente” wordt bedoelt de gemeenschap van wedergeboren mensen, niet
een instituut waar men lid van kan worden.
H.d.J.
augustus 2011
De volheid van Christus
deel 2: De volheid van de liefde van Christus
Schriftgedeelten:
“opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen”
(Joh. 17:26)
“want de Vader zelf heeft u lief …” (Joh. 16:27)
Referenties:
Things that Please God, C.R. Golsworthy, de vierde toespraak van de serie
hier te beluisteren.
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)
Hoe is het mogelijk dat de Here Jezus wil dat wij geliefd worden door de
Vader?! Wij zijn de oorzaak van Zijn leiden en dood. Toch heeft de Here Jezus
ons zo lief dat Hij alleen maar het allerbeste voor ons wil: de liefde van de
Vader.
Denken we dat Gods liefde voor ons een soort onpersoonlijke zelfverloochening
is, hebben we het idee dat de Here Jezus aan ons persoonlijk voorbij ging toen
Hij Zich liet kruisigen, dan hebben we een verwrongen beeld van Hem en van Zijn
liefde. Gods liefde is onbegrijpelijk, niet te vatten. Het is echter van het
allergrootste belang om Zijn liefde te kennen, waarbij het kennen een ervaring
inhoudt, beleving, toepassing (Ef. 3:19). Ieder christen kent wel iets van Zijn
vergeving, Zijn genade, ontferming, lankmoedigheid, goedertierenheid, geduld,
Zijn zorg, voorziening, Zijn opvoeding (tuchtiging). Al deze facetten van Zijn
liefde verdienen dagelijkse overdenking. Golgotha is naast een historisch feit
een geestelijke realiteit bovendien. Christus is Verlossing! Niet voor
niets gebruikt Paulus in Romeinen 5 het woord “uitgestort”. Het duidt op de
kracht van een watervloed. Hoe krachtig water kan zijn, weten we van de beelden
van recente tsunamis. Er is niets tegen bestand. Mijn “troontje”, de zetel van
mijn ego, gaat omver. Al wat mij op aarde boeit en bekoort, spoelt weg.
Genegenheid
Liefde wordt in de Griekse grondtekst van het Nieuwe Testament met
verschillende woorden aangeduid. Er is agapeo en er is filio, agapè en
fil(adelf)ia. Agapè is de zich onvoorwaardelijk overgevende liefde; filio is
genegenheid, iets dierbaar vinden. Nu ligt het gevaar op de loer om te
technisch te zijn, zo te gaan wroeten in lexicons dat we in onze dagelijkse
praktijk vergeten, verleren, verzaken om Gods liefde te waarderen, naar waarde
te schatten. In Johannes 16:27, bijvoorbeeld, “de Vader zelf heeft u lief”,
wordt filio gebruikt. Dat klopt niet, is mijn eerste reactie. Hoe kan ik de
Vader dierbaar zijn? Bestaat er zoiets als goddelijke vriendschap? Gaat Gods
hart naar mij uit? “Oh nee,” denk ik, “Gods gedachten gaan uit naar Zijn Zoon,
in Wie al Zijn welbehagen is. Dat sluit mij toch uit?” Nee, want God belooft,
dat als ik in de Here Jezus geloof, ik juist inbegrepen word bij de Zoon. “In
liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden
aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van
de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de
Geliefde.” (Ef. 1:5,6)! De Here God ziet in ons de potentie om de aanvulling
van de Here Jezus te worden, de Bruid, waardoor Hij nog meer verheerlijkt wordt
dan dat Hij al is. Daarom zijn wij zo kostbaar in Zijn ogen.
Voorziening
Kinderen van God zullen altijd weer versteld blijven staan van de grote
voorzienende liefde van de Here Jezus. Hij is de “Ik Ben”, die leven heeft in
Zichzelf, om leven te kunnen geven. En dat is precies wat Hij doet, in
eindeloze mate, geven, geven en nog eens geven, een onuitputtelijke bron.
Altijd kunnen we en moeten we bij de Here Jezus terecht. Dat doet me denken aan
de toespraak van broeder Ramond Golsworthy die als referentie bij deze
overdenking staat vermeld, waarin hij “the discipline of going to Christ
Himself” benadrukte, de discipline om voor al onze vragen en noden naar de Here
Jezus Zelf toe te gaan. Boeken kunnen helpen, een artikeltje op internet kan
helpen, broeders en zusters kunnen helpen, samenkomsten kunnen helpen, maar ze
zijn slechts heenwijzers naar Christus Zelf en zijn nooit een alternatief,
nooit een vervanging voor Christus Zelf. Als dit artikeltje de lezer warm maakt
voor en aanspoort tot zich te wenden tot de Here Jezus, dan heeft het zijn doel
bereikt. Hij is de Bron. Door naar Hem toe te gaan, leren we geen trucs, geen
methodes maar leven. We leren om op Hem te vertrouwen, erop te vertrouwen dat
wat Hij zegt te zijn ook werkelijk is, wat Hij belooft ook werkelijk
doet.
H.d.J.
juni en juli 2011
De volheid van Christus
deel 1: De volheid van de Verlossing in Christus
Schriftgedeelten:
Het evangelie naar Johannes; Psalm 107
Referenties:
Spiritual Fulness, Stephen Kaung (twee toespraken tijdens de
Harvey Cedars Conference 2005, ook in boekvorm verkrijgbaar)
In de leerschool van Christus, T. Austin-Sparks (te bestellen bij Stichting Literatuur Evangelisatie)
De hele Schrift is nodig voor de openbaring van Jezus Christus. In die zin
gaat er geen boek of brief boven de ander. Toch zullen vele gelovigen de
ervaring kennen dat hun hart extra goedgedaan wordt wanneer zij in hun stille
tijd zijn aangeland bij het Johannesevangelie en vers na vers in verwondering
raken over wie de Here Jezus is. Het toont de Here Jezus als de Gezondene, de
van God Gegevene. “Uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, zelfs genade op
genade”. We willen stilstaan bij die volheid van Christus en zien wat het voor
onze dagelijkse wandel betekent.
Verlossing
Hoe volkomen is de Verlossing in Christus! Zijn Verlossing bestrijkt alle
terreinen van het leven en raakt tot in de kern, het diepste van het hart, laat
niets onberoerd, rekent af met alles van de mens, de zonde, de wereld en Satan.
“Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.” Dat doet denken aan Psalm
107, waarin beschreven wordt hoe verloren de mens is zonder God en hoe God
ingrijpt en verlost. De Psalm laat zien dat verlossing tweeledig is: uit het
ene in het andere. Dat is volkomen verlossing. En die verlossing is absoluut,
compleet. God verscheurt banden, verbreekt koperen deuren, verbrijzelt ijzeren
grendels (vers 14-16). O, dat ik daar meer blijk van gaf in mijn leven! In de
praktijk laat ik de verlossing vaak nog zo half zien, alsof ik nog steeds vast
zou zitten aan de zonde, misschien niet met ijzeren grendels, maar wel met
elastiek; haast onzichtbaar, onmerkbaar, maar de band is er. Ik veer weer terug
en moet weer overnieuw beginnen. De geestelijke werkelijkheid in Christus is zo
anders: een absolute breuk met de wereld en alles wat er bij hoort. De
overwinning van het Kruis is een volkomen overwinning. “Het is
volbracht!” (Joh. 18:28). Hoe half is mijn beleving nog vaak! In mijn
beleving word ik voortdurend op de hielen gezeten door de vijand en ontkom ik
ternauwernood. Dicht bij het bedrijf waar ik werk, wonen twee Jack Russels, van
die eigenwijze hondjes. Als hun baasje vergeten is het hek dicht te doen, komen
ze op me af als ik er langs fiets en proberen ze in mijn broekspijpen te
bijten. Dat lukt ze nooit, want ik kan gelukkig heel hard fietsen. Is het ook
zo in mijn geestelijk leven? Steeds de hete adem in mijn nek... Is dat
verlossing? Nee, maar dat komt omdat ik niet de volheid van de verlossing ken
in Christus. Hij verlost uit... in... In Psalm 107 komt dat zo sterk naar
voren. De Here doet de verlosten treden op een effen weg om te gaan naar een
stad ter woning. De verlosten des HEREN worden gelaafd en vervuld (vers 9), ze
bereiken de haven van hun begeerte (vers 30). Er is vrucht (vers 37) en
overvloed (vers 38 en 41). “Ik ben gekomen,” zegt de Here Jezus, “opdat zij
leven hebben en overvloed” (Joh. 10:10). Hij is de Fontein van Levend Water,
Stromen van Levend Water. Dat is verlossing. “Ik ben de wijnstok, gij zijt de
ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want
zonder Mij kunt gij niets doen” (Joh. 15:5).
Vervulling
De vaten op de bruiloft te Kana (Joh. 2) werden gevuld tot de rand. Zo moeten
ook wij ons vullen met Christus: zorgen dat er niets anders meer bij kan.
“Here, ik wil alleen nog maar U!” Dat is het roepen uit Psalm 107. De Here doet
de rest, maakt van water de heerlijkste wijn. Leeg zijn van mijzelf, vol van
Hem. Het afgelopen jaar was geestelijk gesproken het slechtste jaar in mijn
leven als kind van God. En ik had nog wel zulke hoge verwachtingen, vorig jaar.
Tja, hoge verwachtingen, van wie? Van mezelf, denk ik. En daarom is het zo'n
grote teleurstelling geworden. Ik was te vol van mezelf, verwachtte dat ik iets
geestelijk zou kunnen presteren en waar maken. Een illusie. Door schade en
schande moest ik leren niets meer van mezelf te verwachten. Het
Johannesevangelie maakt het zo duidelijk: het is van boven naar beneden, niet
van beneden naar boven. Het is alles in Christus. Hij is de bron van leven. “Al
wie dorst heeft, kome to Mij en drinke...”
H.d.J.
mei 2011
Verlangen naar God (deel 2)
Samenkomen is niet op basis van verlangen naar de Heer. De Here heeft ons niet
samengebracht omdat wij uitzonderlijk naar Hem verlangen. We hebben als
plaatselijke gemeente geen bestaansrecht omdat wij meer zouden verlangen naar
God dan andere christenen in onze woonplaats. Ook zijn wij geen verzameling
gelovigen die meer van de Heer gezien hebben dan anderen. Wij zijn niet
uitzonderlijk. We blinken niet uit in het één of het ander. Wij onderscheiden
ons niet in geestelijke rijkdom of inzichten. En ook al zouden we meer gezien
hebben van de Heer dan andere christenen in onze omgeving, heeft dat ons
voorbeeldig gemaakt? Heeft het zien geresulteerd in voorbeeldigheid, wat
betreft gelijkvormigheid aan Christus, een uitdrukking van het leven van
Christus?
Ons samenkomen heeft veel weg van de terugkeer van de ballingen onder Nehemia
en Ezra. Ons thema is “herstel”. Herstel betekent twee dingen: er is iets kapot
gegaan en er is een nieuw begin, er is schaamte en vreugde tegelijk. Er is een
diep besef dat dat nieuwe begin op grond van Gods grote barmhartigheid is. Er
is ook een diep besef van wat God wil. Hij heeft ons teruggebracht op de weg
naar de vervulling van Zijn eeuwig voornemen. In Zijn grote barmhartigheid en
soevereiniteit roept Hij ons op om dat in de praktijk te laten zien. In die zin
roept Hij ons inderdaad op tot een voorbeeldfunctie. God zoekt een Paulus die
kan zeggen: “Volg mij na zoals ik Christus navolg.” Hij wil ons die
Paulusfunctie geven. Die is nodig in deze tijd. De Heer is met ons bezig om te
kunnen voldoen aan wat nodig is om zo'n functie te kunnen vervullen. Wij hebben
geen bestaansrecht. Na de terugkeer van de ballingen doen de Levieten
schuldbelijdenis en zeggen: “Gij hebt het recht aan Uw zijde” (Neh. 9:33). Toch
is daar grote vreugde. Het volk wordt zelfs vermaand niet te wenen, maar blij
te zijn (Neh. 8:11). Want Gods Huis wordt in ere hersteld. Daar draait alles
om: Gods Huis (10:39). Wat betekent dat concreet voor ons, hier en nu?
1. Gebed
Allereerst gebed. Matt. 11:17: “… en Hij leerde en sprak tot hen: Staat er niet
geschreven, dat mijn huis een bedehuis zal heten voor alle volken?” Als we
ergens voorbeeldig in moeten zijn dan is het wel gebed. Laten we daar verder
geen woorden aan vuil maken, behalve dit, dat bidden bidden moet zijn en geen
verkondiging van ons eigen gedachtegoed. Laten we leren de Here concreet te
vragen om dat wat nodig is, zonder geheimzinnigheid, zonder geestelijk inzicht
op te eisen. Ik weet wanneer ik fout gebeden heb. De Heilige Geest laat het me
zien. Bij mij is dat bijna anatomisch aan te wijzen: bid ik met mijn hoofd of
met mijn hart? Als ik met mijn hoofd bid, maak ik het Bedehuis tot een
rovershol. Ik steel de aandacht. Ik verkoop mijzelf. Het is voor mij tijdens de
bidstonden meestal een flinke innerlijke strijd om los te komen van al het
aardse, de waardering, de wet, het vlees. En soms ervaar ik aan het begin van
een bidstond een dikke, beklemmende, verstikkende duisternis. Daar moet ik dan
doorheen, in geloof. Dat vraagt inzet, wegzien van alles en zien op Jezus. Soms
laat ik het erbij zitten; een gemiste kans.
2. Heiliging
Ten tweede: heiliging. Denk aan de zuiveringen die plaatsvonden onder Nehemia
en Ezra. In het herstel van Gods Huis kan geen vermenging zijn. Dat betekent
concreet dat we elkaar voortdurend aansporen tot een gekruisigd leven, een
leven in de Geest.
Er is verwarring over heiliging en dat is te begrijpen. Heb. 10:10: “Krachtens
die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van
Jezus Christus.” Heb. 10:14: “Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen
volmaakt, die geheiligd worden.” Tja, wat is het nu, iets dat eens en voor
altijd gebeurd is, of een proces dat zich bezig is te voltrekken in het leven
van de gelovige? Samuel Brengle beschrijft heiliging in zijn boek “Helps to
Holiness” als een “tweede zegen”, een aparte ervaring die voor iedere gelovige
moet volgen op de bekering en noemt het “volkomen heiliging”. Nu zijn de termen
“tweede zegen” en “volkomen heiliging” misschien ongelukkig gekozen; het gaat
hem erom dat ieder ernstig, waarachtig wedergeboren mens aanloopt tegen
onzuiverheden, onreinheid, vermenging in het hart en dat daar een antwoord op
is: heiliging. Hebreeën is bij uitstek het Bijbelboek dat waarschuwt tegen
onverschilligheid tegenover dit feit en zegt dat ermee genoegen nemen geen
optie is. Een christen mag geestelijk gesproken niet blijven zitten waar hij
zit. Hij moet op zoek naar onvermengdheid, volkomen zuiverheid. Zodra hij,
bijvoorbeeld, bij het bidden een zelfvoldaanheid bij zichzelf opmerkt, moet hem
dat onmiddellijk verafschuwen en doen roepen tot God: “Here, dit klopt niet! Ik
moet hier van af!” Dit is essentieel voor de bouw van Gods Huis. Het wakker
houden van deze hunkering is een onmisbaar onderdeel van onze samenkomsten,
evenals het wijzen op het antwoord erop: Christus Zelf.
Genoegen nemen met de vergeving van onze zonden, zonder te zoeken naar
werkelijke overwinning over de zonde, is een grote zonde. Want juist om die
overwinning over de zonde is Christus aan het Kruis gestorven. Hij is het Lam
van God, dat de zonde wegneemt. En dat kan geen enkel ander offer doen. Daarom
heeft de Here God in Leviticus een uniek offer ingesteld dat verwijst naar het
offer van het lichaam van Jezus Christus aan het Kruis: het zondoffer, waarvan
de hogepriester het bloed in het heiligdom offerde voor het volk, waarvan de
priesters niet mochten eten, maar het vlees buiten de legerplaats gebracht en
verbrand moest worden. “Wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor
de tabernakel verrichten, niet mogen eten. Want van de dieren, waarvan het
bloed als zondoffer door de hogepriester in het heiligdom werd gebracht, werd
het lichaam buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook Jezus, ten einde
zijn volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden. Laten wij
derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen. Want wij
hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige” (Heb.
13:10-14). Het Kruis van Jezus Christus toont ons onze volkomen vervloektheid.
Het zegt: “Afgeschreven! Weg ermee!” Onze heiliging begint bij het instemmen
met dit volkomen, volmaakte offer van Jezus Christus. “Ten einde Zijn volk door
Zijn eigen bloed te heiligen”, heeft Hij buiten de poort geleden. Laten we
daarom niet blijven zitten waar we zitten, maar tot Hem uitgaan en Zijn smaad
dragen, ons vereenzelvigen met het Zondoffer, het Zondoffer dat niet de zonden
in gedachtenis brengt, maar de zonde wegneemt!
Twee aspecten
Gods Woord maakt duidelijk dat heiliging twee aspecten in zich draagt: de
volkomen heiliging door het offer van Jezus Christus en heiliging als de vrucht
van een wandel in gerechtigheid. Het is ook duidelijk dat het laatste
onmogelijk is zonder het eerste: Christus Jezus is ons van God geworden:
wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing (1 Cor. 1:31). En zonder
heiliging is de bouw van Gods Huis, het zoeken van de toekomstige stad,
onmogelijk. Opbouw van de gemeente is niet het stroomlijnen van een groep
gelovigen volgens Bijbelse patronen of principes, maar de toenemende bijdrage
van het leven van Christus in ieder lid van het Lichaam van Christus, een
steeds uitgesprokener uitdrukking van Jezus Christus in een groep gelovigen.
Door ieder lid heen – en daarin kan niemand gemist worden – wordt, door het
werk van de Heilige Geest, samen als gemeente hemels materiaal geleverd voor de
eeuwigheid, het onwankelbare Koninkrijk waar Hebreeën over spreekt. Dat is “de
verwezenlijking der hoop”, “de hoop waarin wij roemen”, “de vergelding”, het
“verkrijgen hetgeen beloofd is”. Heiliging staat niet op zichzelf, is niet “het
geheim tot een overwinnend leven”, maar is de bouwtekening van Gods Huis.
Eens voor altijd geheiligd
Nog even terugkomend op het eens-voor-altijd-aspect van heiliging: de ernst
ervan is dat we het offer van de Here Jezus tekort doen als we onze heiliging
door Zijn offer aan het Kruis onszelf in geloof niet toeëigenen. Dit is een
heiliging waar we niet naartoe kunnen groeien. We moeten er in geloof in
binnengaan. Het kan even duren voordat we zien hoe dat moet, voordat het tot
onze geest doordringt. Het is niet genoeg het met ons verstand te bevatten. Een
goede test voor het begrijpen ervan is of we deze heiliging als “iets”
beschouwen of dat Christus Jezus Zelf ons voor ogen komt. Zolang het een “iets”
is in onze beleving, kijken we nog naar onszelf, is er nog niet het geloof dat
wegziet van onszelf en ziet op Christus. Zodra het Christus Jezus Zelf wordt,
is er geloof en geestelijke bevatting. Vaak laat de Here God ons eerst
vastlopen in onze pogingen het te bevatten. Hij laat ons tot wanhoop komen over
onszelf. Plotseling breekt Gods licht door, zoals uit een lied blijkt wat ik
schreef na zo’n typische geloofsstrijd:
Heer, als ik denk: “Wat ben ik klein,”
Vindt U me nog te groot.
Teleurgesteld zo zwak te zijn,
Aanvaard ik niet de dood
Van Jezus Christus aan het Kruis;
Op Hèm was Uw gericht.
'k Ben dorre aard’, maar Hij, de Spruit,
Leeft voor Uw aangezicht.
Jezus alleen, Jezus alleen!
Nee, niemand anders wilt U zien
Dan Jezus alleen.
Iemand die zich de heiliging door het offer van de Here Jezus aan het Kruis
heeft toegeëigend, zegt niet dat hij zwak ik, maar dat hij dood is. Dood zijn
is heel iets anders dan zwak zijn. Alleen Christus is aanvaardbaar voor Gods
aangezicht. Niets van mijzelf kan voor God verschijnen, helemaal niets. Ik kan
niet met iets van mijzelf en iets van de Here Jezus voor God staan. Het
heerlijke feit is, dat ik in Christus ben. Alleen dat maakt mij aanvaardbaar
voor God. Maar dan moet ik ook van de volle vrijmoedigheid gebruik maken, in
grote blijdschap de Here prijzen en Hem dienen en liefhebben. Er is dan geen
plaats meer voor terughoudendheid.
De roeping
Ik hoor wel eens zeggen dat God die gelovigen bij elkaar brengt die werkelijk
een verlangen naar Hemzelf hebben, alsof God ze uit verschillende groeperingen
zou uitfilteren om deze in een nieuwe, aparte gemeente te doen samenkomen. Dat
lijkt mij zeer onbijbels en een zeer kwalijke gedachte. Ook heb ik over
gelovigen, die de samenkomsten verlieten, horen zeggen: “Ze hebben de gemeente
niet gezien.” Ook dat is een kwalijke gedachte. Of misschien zat er toch een
waarheid in: wat ze gezien hebben was misschien inderdaad niet de gemeente,
maar een club “zieners”. Een groep waarin ongeregelden, kleinmoedigen en
zwakken het niet volhouden en afhaken, functioneert niet naar behoren. “Wijst
de ongeregelden terecht, beurt de kleinmoedigen op, komt op voor de zwakken,
hebt geduld met allen” (1 Tess. 5:14).
Zo zien we dat verlangen naar God geen basis is voor samenkomen, maar wel
onmisbaar is voor de bouw van Gods Huis. Misschien heeft niet iedere gelovige
met wie wij samenkomen die roeping tot de bouw van Gods Huis gehoord, dat wil
zeggen innerlijk verstaan. Dat geeft niet. Het blijft natuurlijk wel ons
streven dat iedere broeder en zuster die roeping verstaat en ernaar gaat
handelen en wandelen. Maar ondertussen moet ik in de eerste plaats toezien op
mijzelf. Wandel ik werkelijk waardig volgens de roeping?
H.d.J.
april 2011
Verlangen naar God (deel 1)
Mijn ziel dorst naar God (Ps. 42)
Psalm 42 en 43 zijn door de Korachieten geschreven, de Levitische afdeling die
de verantwoordelijkheid had voor (de muzikale ondersteuning van) de lofprijzing
in de tempel. Blijkbaar bevinden ze zich in een geestelijk dieptepunt. Met
heimwee denken ze terug aan de tijd dat een grote stoet optrok naar de tempel
om God te loven en te prijzen. Toch spreken ze zichzelf moed in: “Wat buigt gij
u neder, o mijn ziel? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven!” Ze zagen verder
dan de tempel zelf. Ze zagen op het doel, de functie van de tempel: aanbidding.
Wij spreken graag over de bouw van Gods Huis nú, de gemeente. We zien de
gemeente in een geestelijk dieptepunt. Hoe brengen we de gemeente terug op
Bijbelse grond? Laten we ons eerst afvragen wat de functie van de
gemeente is. De functie van de gemeente is, net als de tempel in het Oude
Testament, de plaats te zijn waar God aanbeden wordt. Daarmee wordt niet een
fysieke ruimte bedoeld waar praise-avonden gehouden kunnen worden, maar de
gemeenschap van gelovigen die samen leren God in hun persoonlijk en gezamenlijk
leven de eer te geven die Hem toekomt: de Allerhoogste.
“Mijn ziel dorst naar God,” zegt de Korachiet. Hij verlangt intens
naar God. Hij laat het daar niet bij. Hij gaat er mee aan de slag. Hij stelt
zich op tegen de vijand, tegen spotternij en tegen zijn eigen neerslachtigheid.
God zal krijgen waar Hij recht op heeft: aanbidding! Zonder het verlangen om te
zetten in daden heeft het niet veel waarde. Daniël, Ezra en Nehemia vatten de
daad bij het woord. God gaf hen een verlangen in het hart. Ze zetten het om in
gebed. Ezra “had er zijn hart op gezet om de wet des HEREN te onderzoeken en
haar te volbrengen, en om in Israël inzetting en verordening te onderwijzen”
(Ezra 7:10). Nehemia gaat met onvoorstelbare moed, visie, inzet en energie aan
de slag om de muren van Jeruzalem te herbouwen. Verlangen naar God is niet iets
dweperigs. Het maakt ons resoluut en daadkrachtig.
Ziel en geest
“Mijn ziel dorst naar God”. Had daar niet “mijn geest” moeten staan?
Ziel betekent hier eenvoudig het binnenste. Hoewel er onderscheid is tussen
ziel en geest moeten we niet in de strik vallen van een overdreven technische
analyse van het binnenste van de mens. Niemand zal de Korachiet beschuldigen
van zielse godsdienstigheid, van ongeestelijkheid. Met ziels bedoelen we gedrag
en levenswijze die bepaald worden door indrukken, gevoelens of redenaties
zonder deze te onderwerpen aan het gezag van de Heilige Geest en Gods Woord.
Een overdreven technische benadering van ziel en geest leidt tot stoïcijns
worden, koud, verkrampt, geremd en zelfs hoogmoedig. We lopen het gevaar alles
te veroordelen wat levendig, spontaan en uitbundig is. Ziels houdt in dat het
zelfleven, het ego, niet wil buigen, niet uit de weg wil gaan. Dat wat
geestelijk lijkt, kan in werkelijkheid een getemde ziel zijn, een ziel die
onder controle is, niet van de Heilige Geest, maar van zichzelf; geen
zelfbeheersing (want dat is een onderdeel van de vrucht van de Geest), maar
zelfverheffing, een gepolijst ego. Iemand die werkelijk geestelijk is, weet hoe
hij zijn ziel onder de heerschappij van de Heilige Geest moet brengen. Daardoor
is hij in staat om ondanks teleurstelling de Heer uitbundig te loven. Hij is
bij “Gods altaar” geweest (Ps. 43:4), bij het Kruis van de Here Jezus, met Wie
Hij meegekruisigd is. Het resultaat is lofprijzing, jubelende vreugde.
De hoogste weg
Is het niet egoïstisch om God voor mijzelf te verlangen? Nee. Het is namelijk
zo dat zodra we met dat verlangen aan de slag gaan, God ons op een hogere weg
brengt, een weg die leidt naar datgene waar de Schepper Zelf naar verlangt. Het
verlangen naar God krijgt dan een andere, diepere dimensie. De Here zal ons
altijd tot die diepte willen brengen. “Watervloed roept tot watervloed” (Ps.
42:8). Ons verlangen wordt dan Gods welbehagen. Jesaja 53 onthult iets van dat
welbehagen, dat onlosmakelijk verbonden is met Zijn Zoon, in Wie al Zijn
welbehagen is. Daar wordt gesproken over de vrucht van Zijn lijden, het
nakomelingschap, de voortgang van het voornemen des HEREN. De Here gaat ons in
die lijn brengen. Hij zal ons bij tijd en wijle vragen: “Wil je verder?”
Eenzaamheid
De Korachiet was zo blij met die feestvierende menigte. Nu is het voorbij. Het
is stil geworden. Nu komt het erop aan. Is de Here de God van Zijn jubelende
vreugde? Vindt hij zijn volle geluk in de Here Zelf? De Here heeft ons niet
voor niets geschapen met een verlangen naar gezelschap, naar vriendschap. David
noemt zijn ziel “mijn eenzame” (Ps. 22:21). De Korachiet kan de stilte maar
moeilijk verdragen. Zijn ziel buigt zich neer en wordt onrustig. Hij wil op
zoek naar wat zijn ziel weer tot rust brengt. Gelukkig komt hij tot de juiste
conclusie: hij is geschapen om de Here te zoeken en Hem te loven.
H.d.J.
maart 2011
Wie een oor heeft...
Gij hebt mij geopende oren gegeven (Ps. 40:7)
Wat de Here Jezus Christus in het bijzonder kenmerkt, is Zijn gehoor. Hij heeft
Zijn gehoor volledig afgestemd op de Vader. God de Vader heeft Hem “geopende
oren” gegeven, zoals dat in Psalm 40 staat verwoord, oren die kunnen verstaan
wat God behaagt. Het horen van de Here Jezus is tweeledig: het horen wat God
Hem zegt en het gehoorzaam zijn daaraan: “Ik heb lust om Uw wil te doen.” Dat
is bij de Here Jezus één geheel. De Here Jezus wil dat op Zijn beurt weer
overbrengen op Zijn discipelen. Hij legt een grote nadruk op het horen:
hoe horen wij? En dan blijkt dat geestelijk horen, geestelijk
verstaan, met de gesteldheid van ons hart te maken heeft.
Bereikbaarheid
Hoe bereik ik God? Raakt mijn gebed Hem? Misschien moet ik mij eerst afvragen:
hoeveel moeite kost het de Here God om mij te bereiken? Is mijn hart afgestemd
op Hem en op het gehoorzamen van Zijn wil? De Here verheft Zijn stem niet gauw.
Het zou ook zeer beschamend zijn als God Zijn stem moet verheffen om Zich
verstaanbaar te maken. Wel zien we Zijn grote geduld. Hij spreekt en spreekt,
zendt Zijn profeten keer op keer, soms decennia lang zonder dat Gods volk er
gehoor aan geeft. Laten we Hem spreken zonder er gehoor aan te geven? Hij is
God! Hoe brutaal om niet meteen te gehoorzamen! Hij spreekt en dan is het mijn
verantwoordelijkheid om Zijn stem helder te verstaan.
Versta!
De NBG-vertalers hebben Efeze 5:17 vertaald met: “Tracht te verstaan, wat de
wil des Heren is,” alsof God niet zo duidelijk is, je er moeite voor moet doen
om Hem te begrijpen. In de Herziene Statenvertaling staat het juister: “Begrijp
wat de wil van de Heere is.” Dat is een opdracht. God is duidelijk. Hij is niet
vaag. Het ligt aan mij of ik Hem begrijp of niet. Natuurlijk, we moeten leren
de Here te begrijpen, net als de kleine Samuël de stem van God moest leren
herkennen. Wat nodig is, is een continue, vaste verbinding met God door de
Heilige Geest (Ef. 5:18). Het geloof werkt niet als bij een tankstation, waar
je tankt wat je nodig hebt en wegrijdt. De Heilige Geest is in ons hart komen
wonen. Hij is geen tijdelijke gast. Hij is “Heer des huizes”.
Zwijg!
Eén van de moeilijkste dingen voor een christen is stil zijn, zwijgen voor God.
Maar dat is dan ook noodzakelijk om Gods stem te leren verstaan. “Maar de HERE
is in zijn heilige tempel. Zwijg voor Hem, gij ganse aarde!” (Hab. 2:20).
“Zwijg, al wat leeft, voor het aangezicht des HEREN, want Hij maakt Zich op uit
zijn heilige woning” (Zach. 2:13). We zijn zo druk, zo rumoerig. Dat maakt ons
zo moeilijk bereikbaar voor de Here. “Wees stil voor de HERE en verbeid Hem”
(Ps. 37:7). Het is al een groot wonder van genade dat we bij Hem kunnen zijn.
Het volk Israël vroeg Mozes bij de berg Sinaï dat God niet verder zou spreken,
omdat het zo’n angstaanjagende gebeurtenis was, donderslagen, rook, vuur. “Maar
gij,” zegt Hebreeën 12:22, “gij zijt genaderd…” Als christen hebben we een heel
andere realiteit. De tegenwoordigheid van de Heer is geen angstaanjagende
ervaring, al dringt Zijn Woord door tot in het diepste van de mens en scheidt
het ziel en geest. Zijn vermaningen kunnen scherp zijn, maar zijn nooit
veroordelend.
H.d.J.
februari 2011
Gods welbehagen
Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar
Hem! (Matt. 17:5)
God openbaart Zich in Zijn Woord als de God van de erfenis. In Zijn goddelijk
Wezen wil Hij geven, toevertrouwen. We kennen Hem als de God die dagelijks
voorziet. Hij doet het regenen over goeden en bozen. Maar daarnaast wil Hij op
een andere manier geven. Hij wil toevertrouwen, doen beërven, overdragen. Dat
is een heel andere vorm van geven. Je geeft je erfenis niet aan een willekeurig
persoon. Daar denk je goed over na. Daarom is de eeuwig God een Meervoudigheid,
samen met Zijn Zoon en de Heilige Geest. “Want het heeft de ganse volheid
behaagd in Hem woning te maken,” zegt Colossenzen 1:19. Het heeft God de Vader
behaagt om Zijn ganse volheid over te dragen aan Zijn Zoon Jezus Christus. Deze
heeft op Zijn beurt Zijn ganse volheid beschikbaar gesteld aan “Zijn lichaam,
de gemeente” (Colossenzen 1:17). Zijn grote “Overdrager” is de Heilige Geest,
Degene die aan de ene kant de erfenis veilig stelt, het Onderpand is (1. 2 Kor
1,22 die ook zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten
gegeven heeft. 2. 2 Kor 5,5 God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en
die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft. 3. Ef 1,14 die een onderpand is
van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft,
tot lof zijner heerlijkheid) en aan de andere kant hard werkt aan onze levens
om ons klaar te maken voor die erfenis. Dit is ten diepste het evangelie. Dit
is de Verlossing: Christus wordt verheerlijkt doordat Hem Zijn Bruid wordt
voorgesteld, met wie Hij Gods erfenis gaat delen en beheren. Wat een
heil!
Zorgvuldigheid
God is uitermate zorgvuldig met Zijn erfenis. Hij verspilt niets. Hij weet dat
Hij al dat kostbare eeuwige goed alleen aan Zijn Zoon kan toevertrouwen. Hij is
de enige. Jezus Christus is beproefd gebleken. Dat was Zijn missie hier op
aarde, om als Erfgenaam van de Schepper getoetst te worden, de Troonopvolger.
Heeft Hij de toets doorstaan? Wat is het bewijs? “Hij is het begin,” zegt
Colossenzen 1:17, “de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de
eerste geworden is.” Hij is opgestaan uit de doden! Dat is het bewijs! We
zouden het ons zo kunnen voorstellen dat de Vader Zijn erfenis al klaar had
liggen toen Jezus in Getsemane worstelde in gebed. Daar kwam Jezus tot de grote
overwinning. Hij werd naar het Kruis geleid. De erfenis van God was bedoeld
voor de mens, maar die mens was door de zonde buiten het bereik ervan gekomen.
Er stond – als het ware – in Gods Testament geschreven: “Ik geef alles aan Mijn
verheerlijkte Zoon, dat wil zeggen, aan Mijn Zoon met inbegrip van de door Hem
met Mij verzoende mensheid.” Daarom stelt God in Zijn zorgvuldigheid een
voorwaarde, een “indien”: “… indien gij slechts wel gegrond en standvastig
blijft in het geloof en u niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie
(Colossenzen 1:23). En juist hier moet ik mijn hoofd buigen. Was ik maar
“slechts wel gegrond en standvastig”. Zijn we dat? Als we het niet zijn, zullen
we ons dan bekeren en ons opnieuw toewijden?
De verloren zoon
God is naast zorgvuldig ook barmhartig, genadig, lankmoedig en rijk aan
goedertierenheid. In het verhaal van de verloren zoon zien we hoe de erfgenaam
zijn erfdeel verkwanselt. Hij komt tot berouw en bekering. De vader staat hem
al op te wachten en richt een feest voor hem aan. Let op de kritiek van zijn
broer en op de reactie van de vader (Lucas 15:11-32). Als we werkelijk “ernst
nemen met zulk een heil” (Hebr. 2:3), dan hebben we een andere houding
tegenover onze broer die teruggekeerd is. Dan zijn we net zo blij als de Vader.
Dan omarm ik mijn broer en zeg tegen hem: “Zullen we vanaf nu samen standvastig
zijn? Zullen we elkaar daarbij helpen? Laten we zorgen dat niets van de erfenis
van onze geliefde Vader verloren gaat!”
Alles in Christus
Al Gods welbehagen is in Zijn Zoon Jezus Christus. De rijkdommen in Christus
zijn onnaspeurlijk (Ef. 3:8). In Hem zijn we gezegend met allerlei geestelijke
zegen in de hemelse gewesten (Ef. 1:3). “… gij hebt de volheid verkregen in
Hem” (Colossenzen 2:10). “Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed”
(Joh. 10:10). Wat zouden we daarom nog buiten Hem zoeken? Waarom zou ik niet
“wel gegrond en standvastig blijven in het geloof”. Is er iets wat mij “laat
afbrengen”? Misschien geen grove zonde. Misschien een te grote hang naar
vermaak. Misschien wil ik iets ervaren. Ik wil iets voelen, genieten. Geloof ik
dat als ik mijn hart volkomen op Christus zet, in alles voldaan wordt, niets
tekort kom? “Wie van vermaak houdt, zal gebrek lijden” (Spreuken 21:17), “Jonge
leeuwen lijden ontbering en honger, maar wie de HERE zoeken, hebben geen gebrek
aan enig goed” (Psalm 34:11). Geloof ik dat werkelijk? We moeten die jonge
leeuwen in ons van de honger laten omkomen! “Verlos toch mijn ziel van hun
verwoestingen, mijn eenzame, van de jonge leeuwen” (Psalm 35:17). Ook als we
wat ouder worden, kunnen die jonge leeuwen nog in ons hart brullen. “Want
indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de
Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven. Want allen, die door de
Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. Want gij hebt niet ontvangen een
geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van
het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze
geest, dat wij kinderen Gods zijn. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook
erfgenamen: erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; immers, indien
wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking
(Romeinen 8:13-17).
H.d.J.
januari 2011
Openbaring
Dan zal ik ten volle kennen (1 Cor. 13)
Als jong christen vertelde ik een oude broeder enthousiast over de studie die
we als plaatselijke gemeente gedaan hadden over het boek Openbaring. Ik zei dat
we Openbaringen het boek van de overwinnaars genoemd hadden. Ik verwachtte een
goedkeurende glimlach, maar hij keek me nogal streng aan en zei: “Ten eerste is
het niet Openbaringen, meervoud, maar Openbaring, enkelvoud. Dat is belangrijk,
want als je Openbaringen zegt, denk je dat het om allerlei gebeurtenissen gaat.
Maar het is maar één openbaring. Ten tweede is het niet het boek van de
overwinnaars, maar, zoals het eerste vers al aanduidt: ‘Openbaring van Jezus
Christus.’ Het gaat over Jezus Christus.” Die opmerking heeft me nooit meer
losgelaten.
Geestelijk inzicht
Willen we geestelijk groeien in Christus, dan is geestelijk inzicht een
belangrijke factor. Maar wat is geestelijk inzicht? Waarom houdt Paulus niet op
te bidden om de Geest van wijsheid en openbaring om Hem recht te kennen,
verlichte ogen van het hart (Ef. 1:17 en 18)? Wel, het staat erachter: “Zodat
gij weet...” Wat we moeten weten komt hier op neer: de grootheid, de majesteit
van onze Here Jezus Christus. Hem kennen, dat is waar ons christenleven mee
begint en dat is wat ons de hele weg doet gaan, zicht op de Here Jezus, de Here
Jezus als Bron en de Here Jezus als Doel.
Gods Woord
Voor geestelijk inzicht en openbaring is het nodig om Gods Woord te kennen.
Immers, Christus is het Woord van God. De Bijbel is het Levende Woord.
Alles wat God wil zeggen is “Christus”. In Hem ligt alles besloten wat God wil
zeggen. God spreekt in Zijn Zoon (Hebr. 1:1). Dat betekent dat als we
de Bijbel lezen, we telkens Christus moeten zien te vinden, ontdekken, Hem
daarin leren kennen en herkennen. God weet wat we nodig hebben: leven, Zijn
leven. “In het Woord was leven,” zegt Johannes, “en het leven was het licht der
mensen.” Er staat dat Jezus het waarachtige licht is, dat ieder mens
verlicht.
Verlichting
Dat brengt ons bij een gevaarlijk onderwerp: verlichting. Het is belangrijk om
te zien dat Jezus het waarachtige licht is, dat ieder mens verlicht.
Met andere woorden, de verlichting gaat van Hem uit. Het is dus niet zo dat er
sommige mensen zijn die door spirituele oefening doordringen tot diepere
geheimen van geestelijke dingen. Dat is New Age. Dat is duisternis. Dat is
“Lucifer-verlichting”. Toch kunnen sporen van dat soort denken ons besmetten.
We kunnen denken dat wij iets weten dat andere christenen niet weten en ons
daardoor verheven voelen boven hen. We zijn ingewijden in het diepere inzicht,
niet dat oppervlakkige gedoe. Als er zo’n spoortje in onze gedachten aanwezig
is, moeten we dat onmiddellijk zien kwijt te raken. Meestal zijn dergelijke
gedachten gebaseerd op het ontvangen van informatie. Je leest iets in een boek
en het grijpt je: “Oh, dit heb ik nog niet eerder gezien!” Je vertelt het aan
iedereen die je tegenkomt: “Moet je dit eens lezen!” Maar de vraag is:
is het leven? Is er verandering naar het beeld van Jezus Christus? Heeft het
kennis van Gods Zoon opgeleverd? Heeft het je nederiger en zachtmoediger
gemaakt? Heb je afgerekend met onreinheid? Ben je eerlijker geworden? Heeft het
je meer geestelijke draagkracht gegeven om anderen te kunnen dienen? Heeft het
je gemopper veranderd in dankbaarheid en aanbidding? Draagt het vrucht? Gods
Woord, omgezet, toegepast in de dagelijkse praktijk, draagt vrucht (Psalm 1).
God heeft Zijn Levende Woord aan de totale mensheid gegeven, het waarachtige
licht, dat ieder mens verlicht. Laten we niet zijn als diegenen tegen wie de
Here Jezus moest zeggen: “Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin
eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, en toch wilt
gij niet tot Mij komen om leven te hebben.”
Christus alleen
Christus als Bron en Christus als Doel, is dat niet een wat bekrompen leven?
Het klinkt eng en benauwd: alleen Christus. Maar als we Christus leren kennen,
ervaren we juist dat we in een onbeperkte ruimte komen. Juist die dingen
waarvan je denkt dat je ze zult missen, zijn het die jouw leven beperken. De
bron van het verderf is de begeerte (2 Petr. 1:4). De dood is niet afwezigheid
van leven, maar een macht die het leven tegenwerkt. De begeerte in mij zegt dat
als ik dit of dat niet krijg of ervaar in mijn leven, ik iets van het leven
mis. Het tegenovergestelde is waar. De begeerte (van het vlees) brengt dood
voort. De goddelijke natuur die we in Christus ontvangen hebben, doet ons
ontkomen aan het verderf. “Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles,
wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem, die ons
geroepen heeft door zijn heerlijkheid en macht” (2 Petr. 1:3).
H.d.J.
Published on Saturday 5 February 2011 by De redactie