Essay over de Hebreeënbrief
Inleiding; het thema
Zowel de schrijver als de geadresseerden van de brief zijn ons niet met
zekerheid bekend. Verschillende oude manuscripten met deelverzamelingen van wat
wij nu kennen als het Nieuwe Testament, hebben de brief gegroepeerd bij brieven
van Paulus, maar dat hoeft niet te betekenen dat de eerste Christenen hem als
auteur ervan zagen. Uit het feit dat de briefschrijver zoveel zaken van het
Jodendom als bekend verondersteld, leiden diverse commentatoren af dat de brief
aan de gelovigen in Jeruzalem was gericht. Dat die conclusie niet zonder meer
is gerechtvaardigd blijkt uit de brief aan de gelovigen te Rome. Paulus
veronderstelde in die brief dat de ontvangers veel wisten van het Jodendom,
terwijl hij zich in eerste instantie richtte tot, “alle geliefden Gods,
geroepen heiligen, die te Rome” waren, (Rom. 1:7) hoewel hij zich terloops ook
tot de daar aanwezige Joden richtte.
In de tijd van de apostelen waren de Christenen in Jeruzalem van Joodse afkomst
en onder leiding van Jakobus, de broer van de Here Jezus, waren ze uiterst
trouw in het zoveel mogelijk onderhouden van de wet van Mozes. Zij waren nooit
teruggekeerd naar het Jodendom, ze waren er voor een belangrijk deel gewoon in
gebleven. Uiteraard geloofden ze dat Jezus de beloofde Messias was. Veel Joden
die geen Christen waren geworden, en ook de Romeinen, beschouwden de ‘sekte der
Nazoreners’, zoals de Christenen in Jeruzalem wel werden genoemd, als een
Joodse sekte. Alleen beweerde die sekte dat ze de Messias hadden gevonden in de
persoon van Jezus van Nazareth.
Veel Christenen in andere plaatsen waren ook Joods, maar geleidelijk werden
steeds meer de heidenen bereikt met het evangelie en veel brieven zijn dan ook
aan gemeenten geschreven met een gemengd, soms overwegend heidens
gezelschap.
In de Hebreeënbrief worden het volk van Israël en de Joodse godsdienst gebruikt
als voorbeeld, als waarschuwing voor alle Christenen, ongeacht hun vleselijke
afkomst. De gelovigen worden gewaarschuwd tegen verslapping in het geloof, het
geduld en de volharding, naar het voorbeeld van het volk Israël. De kwestie
waar het in de brief om gaat, komt neer op het volgende. Wanneer een Israëliet
Mozes terzijde schoof, kreeg hij straf; hoeveel zwaarder is de straf voor de
Christen die Christus terzijde schuift (10:28, 29)! Als de Israëlieten het
beloofde land niet mochten binnengaan wegens hun ongeloof (3:19), zullen
Christenen dan wél tot de beloofde rust ingaan als ze verslappen in hun geloof
(4:11)? Wat dit geloof inhoudt zullen we zo zien, maar het gaat ons nu alleen
om de constatering van de parallel tussen de Christen en het oude Israël. Dat
is de sleutel tot de brief en dat thema zullen we nu verder uitwerken.
De zonde van ongeloof
Uit niets in de brief blijkt dat er bepaalde zonden als immoraliteit, of
afgoderij in het spel zouden zijn bij de ontvangers. In hoofdstuk 12 vers 1
staat dat we “alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat” moeten
afleggen. Even verderop (vers 4) lezen we: “Gij hebt nog niet tot bloedens toe
weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde.” Het gaat in deze verzen
over de grootst mogelijke van alle zonden, namelijk de zonde van ongeloof. Door
die zonde bereiken we nooit het einddoel van ons geloof, halen we de prijs niet
aan het einde van de wedloop. De wedloop is dat we in ons leven steeds verder
geheiligd worden; de te behalen prijs is dat we in eeuwigheid zullen delen met
Christus in zijn erfenis, ons eerstgeboorterecht (12:16). Daarover later
meer.
Toen we tot geloof kwamen, zijn we “eens voor altijd geheiligd door het offer
van het lichaam van Jezus Christus” (10:10, 29), maar er staat ook dat we
“geheiligd worden” (2:11; 10:14). We moeten “jagen naar de heiligheid, zonder
welke niemand de Here zal zien” (12:14). Gods doel is dat we “deel verkrijgen
aan zijn heiligheid” (12:10). We zouden kunnen zeggen dat, nu we eenmaal
geheiligd, apart gezet, afgezonderd zijn voor God, we steeds meer geheiligd
worden, dichter bij Hem moeten komen. Denk niet dat God ten einde toe
welgevallen aan ons heeft alleen omdat we zijn verlost. Goed, we werden
weliswaar geheiligd toen we tot geloof kwamen, maar hoe ging het daarna verder?
De meeste Israëlieten verbitterden God nadat ze waren verlost en Hij kreeg van
hen een afkeer. Allen kwamen om in de woestijn, op een paar na die God wél
geloofden, Hem vertrouwden en op zijn wonderen rekenden (3:16-19). Op twee
personen na ontving niemand het beloofde, had niemand deel aan de
erfenis.
Nog even terug naar de worsteling tegen de zonde, de zonde van ongeloof. In
hoofdstuk 11 lezen we over mensen die sterk geleden hebben, tot bloedens toe,
omdat ze vasthielden aan hun geloof in de beloften van God (11:36, 37). Zij
werden verzocht om hun geloof niet langer levend te houden en daarmee het
lijden te ontlopen. Maar nee, ze hebben tot bloedens toe weerstand geboden aan
die verzoeking van ongeloof. En wat te denken van Jezus Zelf, de Gekruisigde,
die zijn eigen bloed heeft vergoten voor ons? “Jullie,” zegt de schrijver,
“hebben nog niet zó geleden; jullie geloof is nog lang niet zo zwaar op de
proef gesteld; jullie hebben nog niet je bloed moeten laten vloeien om reden
van je geloof.” Waarom nam Jezus zijn kruis op? Hij zag op de vreugde die
achter het kruis lag. Hij geloofde Gods belofte. Net voordat we lezen over
dezen die tot bloedens toe weerstand hebben geboden tegen de zonde van
ongeloof, lezen we dat wij niets te maken hebben met “nalatigheid, die ten
verderve leidt,” maar met “geloof dat de ziel behoudt” (10:39). Dit behoud van
de ziel is hetzelfde als het bereiken van Gods doel met onze ziel, onze
volledige heiliging. Abraham, zegt Paulus in Rom. 4:18-21, heeft “tegen hoop op
hoop geloofd … zonder te verflauwen in het geloof,” omdat hij zeker wist “dat
God bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen.” Abraham zou
ernstig hebben gezondigd als hij God niet geloofd zou hebben. Wie niet
vasthoudt aan de beloften van God, maakt Hem tot een leugenaar en dat is de
zonde waar het in de brief om gaat.
Jezus Christus is de leidsman en voleinder van ons geloof (12:2). We worden
aangespoord om onze aandacht op Hem te vestigen, “opdat wij niet door matheid
van ziel verslappen” (12:3). De worsteling tegen de zonde is niets anders dan
wat Paulus de goede strijd des geloofs noemt. Hij schrijft aan Timotëus:
“Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij
geroepen zijt…” (1 Tim. 6: 12). Was Timotëus dan nog niet behouden, dat Paulus
hem aanspoort het eeuwige leven te grijpen? Of is de aansporing dat hij al wat
God beloofd heeft aangaande het eeuwige leven, moest grijpen? Merk op dat
Paulus zegt dat hij ertoe geroepen is. Dat is niet een roeping om
zondevergeving te krijgen, maar om deel te verkrijgen aan de erfenis in het
eeuwige, onwankelbare Koninkrijk.
De schrijver van onze brief spoort ons aan met de woorden: “Gij hebt volharding
nodig om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is” (10:36).
Kijk maar naar Abraham, luidt de aansporing. “Door geduld te oefenen
(letterlijk: door veel geduld te hebben), heeft deze het beloofde verkregen”
(6:15). Volgt dit voorbeeld na, zegt de schrijver, “Opdat gij navolgers moogt
zijn van hen, die door geloof en geduld de beloften beërven” (6:12).
Het betere verbond
De kracht van de beschrijving van alles dat met het oude verbond te maken
had, ligt hierin dat daardoor het nieuwe verbond in onze ogen nog heerlijker
wordt. De aansporing is dat wij allen blijvend ingaan tot het hemelse heiligdom
(10:19), terwijl onder het oude verbond alleen de hogepriester, mocht
binnengaan in het aardse heiligdom – en dat slechts eenmaal per jaar. En dan de
wet met al haar rechtvaardige verordeningen en de offers waarmee God werd
vereerd en er vergeving was voor zonden; zij was slechts een schaduw van Gods
wet in ons hart, de wijze waarop wij God aanbidden en het offer van Christus
(10:16, 17). Als God zoveel waarde hechte aan geloof en geduld onder het oude
verbond, hoeveel belangrijker zijn dan ons geloof en geduld onder het nieuwe,
veel heerlijkere verbond (11:6; 10:36). Het oude verbond was ontzagwekkend
(12:18-21), hoeveel ontzagwekkender is het nieuwe (12:22-24). Abel sprak na
zijn dood (11:4), Jezus na zijn opstanding (1:1 e.a.).
De waarschuwing is echter, “Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet
afwijst…” (12:25). Maar de vermaning in dit vers gaat verder. We moeten Hem,
die nu uit de hemel spreekt, evenzeer gehoorzamen als de vaderen toen Hij op
aarde sprak door Mozes. Denken wij dat wij zullen ontkomen als zij niet
ontkomen zijn toen ze Hem niet gehoorzaamden.
De toon voor de brief wordt meteen gezet in het eerste vers ervan. Onder het
oude verbond had God veel en dikwijls door de profeten gesproken tot de
vaderen. Nu in het laatst der dagen, heeft Hij tot ons gesproken “in de Zoon!”
In het tweede hoofdstuk klinkt de waarschuwing: “Want indien het woord door
bemiddeling van engelen gesproken, van kracht is gebleken, en elke overtreding
en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding heeft ontvangen, hoe zullen wij dan
ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil…” (2:2,3). Het gaat
hier over het heil dat de Zoon bracht, het heil door het spreken van God in de
Zoon.
Niet veel Christenen, ook van Joodse afkomst, zullen de neiging hebben om
Christus vaarwel te zeggen ten gunste van het oude verbond en daar gaat de
brief dan ook niet over. Het gevaar is dat we, wanneer we eenmaal behouden
zijn, denken dat we het doel bereikt hebben; dat onze ziel nalatig en mat wordt
en we geen ernst maken met het lopen van de wedloop. We lopen gevaar dat we
omkomen in de woestijn. De aansporing in deze brief is om vooruit te gaan en
niet het voorbeeld van ongehoorzaamheid en ongeloof – tussen die twee, geloof
en gehoorzaamheid, is geen of nauwelijks verschil in de brief – van het volk
Israël te volgen.
De beloften aan hen die onder het oude verbond God geloofden, zijn nog niet aan
hen vervuld. Zodra ook wij ons einddoel hebben bereikt, zullen wij, samen met
hen, het betere van God ontvangen (11:39, 40). Dat is de heerlijkheid van Gods
belofte aan de getuigen van hoofdstuk 11. Zij krijgen met ons deel aan de
vervulling van de betere beloften van het betere verbond (8:6), omdat ze God
trouw zijn gebleven onder het oude. Ook zij zullen delen in het onwankelbare
koninkrijk, hun hemelse vaderland.
De hoofdzaak
“De hoofdzaak van ons onderwerp is,” aldus de schrijver, “dat we zulk een
Hogepriester hebben die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit
in de hemelen…” (8:1). We zullen iets nader kijken naar dit vers en er kleine
kanttekening bij maken, allereerst bij ‘van ons onderwerp’. We zouden de tekst
ook kunnen weergeven als ‘van wat gezegd is’, dus wat gezegd is in het
voorgaande. Daar is over de Hogepriester Jezus gezegd dat Hij leeft, altijd
leeft (7:8, 25); Hij heeft een onvernietigbaar leven (7:16) en daarom is zijn
priesterschap een eeuwig priesterschap dat op geen ander kan overgaan (7:3, 17,
21, 24). Hij is de Hogepriester die in eeuwigheid volmaakt is (7:28).
Vervolgens een kanttekening bij ’zulk’. Dit woordje slaat op de beschrijving
van de Hogepriester, zoals we die in de vorige alinea in eigen woorden hebben
weergegeven. We zien bij het lezen van heel hoofdstuk zeven dat ook hier sprake
is van een parallel tussen het oude en het nieuwe, namelijk het oude
priesterschap van Levi en het nieuwe van de Here Jezus, dat is naar de ordening
van Melchizedek. Er is geen sprake van dat we het Hogepriesterschap van de Here
Jezus ook maar kunnen vergelijken met dat van Levi. Nee, zulk een Hogepriester,
Jezus brengt ons in het eeuwige, onwankelbare koninkrijk (12:28), zoals zijn
eigen priesterschap ook eeuwig en onwankelbaar is.
Tenslotte plaatsen we een kanttekening bij ‘die gezeten is’. Een andere
weergave van de grondtekst kan zijn ‘die zich gezet heeft’. Hieruit spreekt
duidelijk dat Hij die plaats waardig is. Nadat Jezus alles had volbracht op
aarde, heeft Hij Zich in de hemel gezet op zijn troon naast de Vader. Dat is de
plaats van waaruit Hij ons genade geeft wanneer dat maar nodig is (4:16).
Niemand is waardig om naast God te zitten dan de Zoon. De heerlijkheid van het
evangelie is dat er nu weliswaar maar één Zoon naast God gezeten is, maar dat
de dag komt dat er “vele zonen tot heerlijkheid” gebracht zullen worden door
deze Leidsman (2:10). Jezus is “voor ons als voorloper (in het heiligdom)
binnengegaan naar de ordening van Melchizedek hogepriester geworden in
eeuwigheid” (6:20).
Hiermee zijn we een stap verder gekomen in het nagaan van het thema van de
brief. We zijn geroepen om net als Jezus, onze levende, eeuwige Hogepriester,
het heiligdom binnen te gaan (10:19) en met Jezus in de eeuwigheid op de troon
te gaan zitten. De voorbereiding is nu; we worden door God getuchtigd, zodat we
deel verkrijgen aan zijn heiligheid (12:10). We worden geheiligd en daarom
kunnen we met Jezus zijn onwankelbare koninkrijk ontvangen (12:28).
De ernst
We hebben hierboven al gezien dat God vele zonen tot heerlijkheid wil
brengen. Zij moeten komen tot dezelfde heerlijkheid van dé Zoon, de Here Jezus.
Een Christen die daar geen ernst mee maakt, die God op dit punt niet gelooft,
die verslapt en nalatig wordt, komt niet tot die heerlijkheid in eeuwigheid. De
ernst van de brief is dat er kennelijk Christenen zijn die er genoegen mee
nemen dat hun zonden vergeven zijn, zonder ooit binnen te gaan in de rust van
het heiligdom. We zijn geroepen om te leven in een reële, geestelijke
gemeenschap met de Vader en de Zoon, nu in dit leven, hier op aarde. Degene die
niet zo wil leven mist de erfenis in de eeuwigheid. Een afschrikwekkend
voorbeeld van onverschilligheid ten aanzien van de erfenis is Esau. Hij was
geroepen om als eerstgeborene een dubbel deel van alle bezittingen en het
familiehoofdschap te erven. Hij bleef ook na zijn daad van onverschilligheid
nog een zoon van Jacob, hij bleef leven en kreeg zelfs een zekere erfenis, het
deel van een zoon, namelijk wat voor Jakob zou zijn geweest. Hij moest echter
met veel minder genoegen nemen (12:16a en 17) en kreeg niet de eer van
heerschappij.
Helaas zijn er ook enkele Christenen die meer dan 'slechts' verslappen en de
Here Jezus geheel de rug toekeren (10:26-31). Uit deze beschrijving blijkt niet
dat het zou gaan om Joodse Christenen die zijn teruggekeerd naar het Jodendom.
Een Jood heeft immers diep respect voor de Heilige Geest. De Christenen die
hier worden beschreven, hebben zelfs het ontzag voor de Heilige Geest
prijsgegeven en hebben het bloed, waardoor ze geheiligd waren, onrein geacht en
zelfs hebben ze de Zoon van God met voeten getreden. Dat zijn ernstige
overtredingen.
Wat bedoelt de schrijver met “vallen in de handen van de levende God?” Dat is
namelijk de straf die staat op deze overtredingen. Hoewel er verder geen uitleg
bij staat – en we daarom ons kunnen vergissen – is er een aanwijzing in een
gelijkenis die de Here Jezus sprak. Die aanwijzing zullen we nu met enige
voorzichtigheid nagaan, ervan uitgaande dat Jezus geen gelijkenis sprak met
beelden die niet reëel zijn. Alle gelijkenissen in de evangeliën beschrijven
dingen die zijn ontleend aan de werkelijkheid van alledag en niet aan de
fantasie.
Een rijk man die in zijn leven op aarde geen acht had geslagen op Lazarus,
sloeg na zijn overlijden zijn ogen op in Hades, het dodenrijk. Hij ontving er
uit Gods hand een straf met vuur voor zijn leven op aarde. Dit is niet het vuur
van de hel, want de straf volgde onmiddellijk op zijn overlijden, terwijl de
poel van het eeuwig vuur pas na de tweede opstanding en het laatste oordeel
komt. Verderop hierover meer. Zijn broers leefden nog op aarde en ook Lazarus
was nog niet opgestaan, evenmin als Abraham. Het was dus een straf in het
dodenrijk, voorafgaand aan de opstanding, en daarom niet de eeuwige
straf.
Dat er voor een Christen in het dodenrijk een straf kan zijn, klinkt velen
vreemd in de oren. (De opvatting van sommigen dat sinds de opstanding van
Christus de overleden gelovigen meteen naar de hemel gaan is niet gebaseerd op
de Bijbel. De lichamelijke opstanding gaat vooraf aan de opname in de hemel.)
Zelfs de mogelijkheid dat in dit leven een Christen straf van God krijgt, wordt
door sommigen ontkent; de zonde is immers vergeven, is de redenering. Uiteraard
is de zonde van ieder kind van God vergeven. Maar zei God ook tegen David niet
dat zijn zonden van overspel en moord was vergeven? Hij zou niet sterven,
terwijl op deze beide zonden de doodstraf stond! Bovendien had hij Gods
vijanden veel grond tot laster gegeven. God vergaf hem alles, maar zijn straf
kwam met de dood van zijn kind en de rest van zijn leven was er in zijn eigen
gezin dood en verderf. Hij werd weldegelijk gestraft (2 Sam. 12:9-19). Ook
Psalm 99:8 spreekt duidelijke taal: "HERE, onze God, Gij hebt hun geantwoord,
Gij zijt hun een vergevend God geweest, hoewel wraak (= straf) oefenend over
hun daden." Vergeving, maar toch nog straf.
Het gaat om Christenen
Merk op dat bij de rijke man geen sprake was van wat velen vandaag een
ernstige zonde zouden noemen. Hij bekommerde zich niet om een arme man. Voor
hoeveel Christenen zou dat ook gelden? Denk aan de parabel van de rijke dwaas
die dacht aan zijn overvloedige oogst en ging rentenieren. Zijn er misschien
ook hebzuchtige, zelfvoldane Christenen? Jezus sprak deze gelijkenis over de
rijke dwaas, met het oog op de erfenis (Lukas 12:13-21). Zou Jezus
gelijkenissen spreken over ongelovigen, ernstige zondaren, als Hij zijn
volgelingen, wilde waarschuwen? Zouden deze gelijkenissen niet kunnen gaan over
gelovigen die in hun leven zich niet hebben bekommerd om hun loon in de
eeuwigheid en slechts leefden voor zichzelf in het hier en nu?
We mogen niet de conclusie trekken dat de rijke en de dwaze voor eeuwig
verloren zijn gegaan, want daar zeggen de parabels niets over. We weten alleen
zeker dat de rijke man straf kreeg, nadat hij was overleden en dat de rijke
dwaas veel schade leed aan zijn ziel omdat hij niet rijk was in God.
Als een Christen niet verloren kan gaan – en daarmee stemmen we van harte in –
en ook geen straf meer ontvangt, hetzij in dit leven, hetzij in de dood, is de
enige uitleg van de passage in Heb. 10:26-31, dat deze verzen niet over
kinderen Gods gaan. Als we die uitleg accepteren, kunnen we deze verzen echter
niet al te letterlijk nemen. Maar wat betekenen woorden dan nog? Het valt
bijvoorbeeld niet mee om uit te leggen dat iemand die ‘tot erkentenis van de
waarheid is gekomen’ (vergelijk dit met 1 Tim. 2:3, 4) en die ‘door het bloed
des verbonds geheiligd was’, geen echte Christen is. Bovendien zou de
waarschuwing geen indruk maken op de ontvangers van de brief, die Christenen
waren.
Een zelfde redenering zou dan moeten gelden voor de waarschuwing in het reeds
eerder aangehaalde voorbeeld van Esau (12:16b en 17). Was hij wel echt de
eerstgeboren zoon van Jakob? Of was hij geen rechtmatige zoon, maar een
bastaard? Was hij wel de rechtmatige erfgenaam? We kennen uiteraard het
antwoord op deze vragen. Hij voldoet dus aan alle kenmerken van een waar kind;
een ware zoon, een ware erfgenaam.
Dezelfde ernst, en voor velen hetzelfde dilemma, zien we in de tekst in Heb.
6:4-8. De aarde die is bewerkt en keer op keer regen ontvangt en desondanks
geen vrucht draagt, is verwerpelijk (6:7,8). Naar analogie geldt hier dat een
Christen die steeds leeft onder de zegen en genade van God, van de Heilige
Geest, maar desondanks geen heiliging en rechtvaardigheid als vrucht in zijn
leven draagt (12:10, 11), net zo verwerpelijk is. Indien zijn werk zal
verbranden, “zal hij schade lijden, doch hijzelf zal gered worden, maar als
door vuur heen” (1 Cor. 3:15). Deze tekst laat niet zien dat de
vruchteloze Christen voor eeuwig verloren gaat, maar dat hij straf ontvangt
voor zijn leven op aarde. Er staat niet dat de geleden schade het verbranden
van het werk is. Dan zou de straf nog meevallen, afgezien van het feit dat hij
dan met lege handen bij de Here Jezus komt. Nee, er staat dat als zijn werk
niet bestand blijkt te zijn tegen het vuur, hijzelf schade zal lijden. Wanneer?
In dit leven? In de dood? Hij wordt wel behouden, maar als door vuur
heen.
De eerste opstanding
Paulus had het verlangen dat hij “zou mogen komen tot de opstanding uit de
doden,” (Fil. 3:11) of, nadrukkelijker vertaald, ‘de opstanding tussen de doden
uit.’ De vertalers hebben dan ook niet geschreven ‘uit de dood’, maar ‘uit de
doden.’ Dat hij, Paulus, net als ieder ander, eens zou opstaan wist hij heel
zeker, maar van deze ‘opstanding tussen de doden uit’ was hij toen hij dit
schreef, nog niet geheel zeker, zo blijkt uit zijn bewoordingen. Dit ‘zou mogen
komen’ wordt, anders vertaald, ook elders in het Nieuwe Testament gebruikt en
duidt aan dat de uitkomst van een zaak niet tevoren vaststaat. In Hand. 27:12
staat ‘zo mogelijk’. De scheepslieden wilden graag de haven bereiken en ze
probeerden het. Ze kwamen er echter niet. De Joden van oudsher hoopten de
belofte ‘te bereiken’ (Hand. 26:7). Duidelijk is dat ze er niet zeker van waren
dat het automatisch ook zo zou zijn.
Aan het einde van zijn leven was Paulus volkomen zeker: “Ik heb de goede strijd
gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden;
voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage
de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven” (2 Tim. 4:7, 8a). Die krans
is voor allen met dezelfde verwachting die Paulus’ leven kenmerkte (vs. 8b).
Door vast te houden wat we hebben, tot de komst van Jezus, zal ons onze kroon
niet worden ontnomen (Openbaring 3:11). De kroon is het symbool van
koningschap, het ontvangen van het onwankelbare koninkrijk. Deze tekst in
Openbaring impliceert dat de Here Jezus voor iedere Christen die kroon al heeft
klaargelegd. Wij moeten ervoor zorgen dat we door niets of niemand worden
afgeleid waardoor die kroon ons niet overhandigd, ontnomen, kan worden.
In Openbaring 20:4-6 spreekt Johannes over de eerste opstanding, gevolgd door
het duizendjarig rijk. Bij deze opstanding, de opstanding tussen de overige
doden uit, blijven er nog doden in het dodenrijk. Zij zullen pas opstaan bij
het laatste oordeel, als God een ieder zal vergelden naar zijn werken. Pas na
het laatste oordeel zullen er mensen in de poel van het eeuwige vuur komen, de
tweede dood (Openbaring 20:11-15). Die poel van vuur is wat we verstaan onder
de eeuwige hel. Ook uit deze teksten mogen we niet concluderen dat de Christen
die tijdens zijn leven afviel naar de hel zal worden gestuurd. Wie gelooft is
eeuwig behouden, zijn naam staat in het boek des levens, maar er is loon naar
werken.
Zij die delen in de eerste opstanding zullen in het duizendjarig rijk en daarna
in eeuwigheid met Christus in zijn troon gezeten zijn. Willen we de eerste
opstanding en daarmee de erfenis missen, of willen we delen in de erfenis, de
kroon, de troon, het onwankelbare koninkrijk? In Openbaring 14:12, 13 staat:
“Hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in
Jezus bewaren. En ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: Schrijf, zalig de
doden, die in de Here sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten
van hun moeiten, want hun werken volgen hen na.” Hoe geweldig zal het zijn om
te horen uit de mond van Jezus, “Wél gedaan, Gij goede en getrouwe slaaf” (Mat.
25:22, 23). Om bij deze gelijkenis te blijven… Zeggen wij als Christen straks
tot de Here Jezus, “Hier hebt Gij het Uwe”, of maken we zijn hart blij en zal
Hij ons laten delen in zijn erfenis?
Hiermee zijn we buiten de Hebreeënbrief gekomen, – niet buiten het thema ervan
– maar we keren er nu in terug. Het verwijt van de briefschrijver is dat er
Christenen zijn die zijn blijven steken, die niet gegroeid zijn, en hij wil
zich richten op het volkomene (5:12 – 6:1).
Een nieuw priesterschap; een nieuwe wet
De wet van Mozes bevatte alle voorschriften van het verbond dat God met het
volk had gesloten. Het nieuwe verbond heeft een nieuwe wet. En dat is waar de
brief vol van is, met het nieuwe, het andere, het betere, het hemelse van de
Here Jezus. Hij is verheven boven de profeten (1:1), boven de engelen (1:4),
boven Mozes (3:3), boven de aardse priesters (7:28), boven de (schepselen in
de) hemelen (4:14; 7:26) en boven iedere andere middelaar (8:6; 12:24). Het
verbond in zijn bloed is het betere verbond. We zullen nu wat details gaan
bekijken van de schaduwen in de brief en het nieuwe, de vervullingen. Daarmee
zien we duidelijker de grootheid van het nieuwe priesterschap en de wet die in
ons binnenste is.
a. De wet
Veel van de wet van Mozes heeft betrekking op de relatie tussen God en de
mensen. Daarin is een groot aandeel voor het priesterschap en alles wat daarmee
samenhangt. Zo zijn er behalve voor het priesterschap, regels voor de offers
(voor aanbidding, toewijding, zondevergeving), de feesten en de tabernakel met
al haar gerei en bijbehorende eredienst. Hoofdstuk acht van onze brief geeft
heel kernachtig aan waar het om gaat, namelijk het priesterschap (8:1), de
tabernakel en het heiligdom (8:2, 5), de relatie met God (8:10, 11) en de
zondevergeving (8:12).
De wetten die in hoofdstuk 8 vers 10 worden genoemd, waren bedoeld voor het
volk, opdat ze God met hun hele leven zouden eren. Behalve de wetten voor de
priesters en de eredienst waren er wetten die het dagelijkse leven in Israël
regelden. Er werd een offer gebracht volgens de wet, wanneer een ander
voorschrift van diezelfde wet was overtreden. Wie op één punt de wet overtrad,
was een overtreder van de hele wet (Jac. 2:10), omdat het een overtreding was
tegen die Ene die de hele wet had gegeven. Alles draaide om het feit dat Israël
het volk was van de enige, waarachtige en heilige God.
Het citaat in Heb. 10:5-7 uit Psalm 40 laat een stukje weg dat in de psalm
onmiddellijk volgt: “Uw wet is in mijn binnenste.” Net zo is Gods wet nu in óns
binnenste (8:10; 10:16). Dat is het nieuwe verbond en de eerste stap op weg
naar de verwezenlijking van de beloften. Er zijn geen offers voor
zondevergeving meer nodig, zoals onder het oude verbond (8:5,6), maar er is het
eeuwige offer van de Here Jezus van het nieuwe verbond (8:7).
b. De tabernakel
De tabernakel was een afbeelding van de hemelse werkelijkheid (8:5). Zij was
een heenwijzing naar de tijd dat de mens weer in tegenwoordigheid van God zou
kunnen leven (9:8). De schrijver wilde niet in bijzonderheden treden over de
dingen die in de tabernakel waren (9:5), niet omdat het niet heel interessant
zou zijn, maar omdat het niet om deze dingen gaat. Het is niet nodig om alle
details van de tabernakel, de priesterkleren, de offers en al het gerei na te
gaan. Belangrijker is om dagelijks in gemeenschap met God te leven en het goede
nieuws, het evangelie, is dat dat nú kan! Het voorhangsel is er niet meer en
daarmee is de hele tabernakel aan het einde gekomen van haar diensttijd. De
tijd van het herstel van gemeenschap met God is gekomen en daarmee hebben al
die wassingen, spijzen en dranken afgedaan (9:10).
Maar er staat meer over de tabernakel en wel in hoofdstuk 3, in de eerste 6
verzen. Het gaat daar over het huis van God. Het is overigens niet helemaal
duidelijk of ‘huis’ in vers 2 en vers 5 slaat op Israël of de tent, maar veel
maakt dat voor ons nu niet uit. Het was de plaats waar Mozes God diende en dat
is waar het om gaat. Hij was niet het hoofd van Gods huis, maar Gods dienaar in
de tent, of zo u wilt, te midden van het volk. Nu zijn de gelovigen, ongeacht
hun vleselijke afkomst, het huis van God, waar God in het midden is, waar
Christus Hoofd is. God woont te midden van zijn volk (8:10, 11); Hij woont bij
de mensen, zoals Hij het vanaf het begin, al voor de schepping, bedoeld had.
Een beschouwing over wat de toekomst van Israël nu dan is, valt buiten het
bestek van dit essay.
c. De sabbatsrust
Ook de sabbatsrust komt aan de orde, de rust voor Gods volk. Het gaat hier
niet om het houden van de sabbatsdag, maar om de rust die met de sabbat
samengaat. Het is de rust om God te eren door in alle dagelijkse noden op Hem
te vertrouwen en aan Hem offers te brengen. Het ingaan tot Gods rust was voor
de Israëliet het binnengaan in het land Kanaän (3:16-19). Dat blijkt ook uit
Deut. 12:8-15, waar de Israëlieten het vooruitzicht krijgen dat ze in het
beloofde land op die ene, door God verkoren plaats hun offers kunnen brengen,
wanneer God hun rust zal hebben gegeven van hun vijanden. De sabbatsrust voor
ons, Christenen, is de dagelijkse gemeenschap met God en onze aanbidding voor
Hem. Vandaar de aansporing om in het heiligdom in te gaan (10:19). De Here
Jezus leerde ons al dat we eerst zijn koninkrijk moeten zoeken en zijn
gerechtigheid, en dat al het andere, voor de dagelijkse behoeften, dan door God
gegeven zal worden. Maar, zoals we al gezien hebben, het ingaan is op
voorwaarde van geloof.
d. Het priesterschap
Het volgende beeld in de brief is het priesterschap van Levi, naar de wet.
Echter, al voordat dat priesterschap werd ingesteld, was er een ander
priesterschap geweest, namelijk dat van Melchizedek; het priesterschap zoals
God het altijd al bedoeld had. Het priesterschap van Christus is het eeuwige,
volkomen priesterschap (5:1-6; 7:28). Aan het priesterschap zijn gekoppeld de
offers, die alle naar de wet gebracht werden. Het offer van Here Jezus is het
enige volmaakte offer, eens voor altijd (10:1-10).
e. Het aardse bezit
Dan is er nog ons aardse bezit (10:34) dat een afspiegeling is van onze
eeuwige erfenis. Ons leven op aarde is een schaduw van ons leven in de eeuwige
stad, de stad met fundamenten, het hemelse vaderland (11:9, 10, 13-16). We
horen hier te wandelen als mensen die hier geen blijvend bezit, geen blijvende
stad hebben. We zijn hier vreemdelingen en bijwoners.
f. De opstanding
Dan is er nog de zaak van de opstanding. In de brief worden er twee genoemd,
de tijdelijke en de betere. De opstanding van een dode hier op aarde is een
groot wonder. Zo wekte Jezus Lazarus op tot grote blijdschap van zijn zusters
en veel anderen. Velen eerden God erom. Toch was het maar tijdelijk, want ook
Lazarus stierf weer en hij wacht op de eerste opstanding. Deze eerste
opstanding is de betere opstanding (11:35), die vooraf gaat aan de
erfenis.
Twee bemoedigingen
Heel veel verzen zijn in dit essay niet behandeld, zelfs niet genoemd. We
hebben ons beperkt tot de hoofdlijnen van de brief en een voorzichtige
uitwijding gemaakt over het ‘vallen in de hand van de levende God.’ In het
laatste hoofdstuk van de brief staan twee bemoedigende waarheden, die eeuwig
gelden. Die beide verzen willen we niet weglaten, maar ze hier volledig
weergeven en, hoewel het nauwelijks nodig is, van kort commentaar
voorzien.
Het eerste vers is Heb. 13:6. “De Here is mij een Helper, ik zal niet vrezen;
wat zou een mens mij doen?” Daarmee zegt de schrijver dat we in alle
verzoekingen en beproevingen onze toevlucht tot Jezus, de Hogepriester, kunnen
nemen. We hebben al gezien dat we kunnen komen tot de troon van de genade, ...
om hulp te verkrijgen te gelegener tijd” (4:16). Volgens de beide verzen ervoor
is deze Hogepriester zelf beproefd gebleken in iedere verzoeking en
moeilijkheid en hij komt ons medevoelend te hulp. Ook Hij werd verzocht om een
lagere weg te gaan, maar Hij bad, “Doch niet mijn wil, maar de Uwe geschiede”
(Lucas 22:42). Deze Hogepriester is dus onze helper en geen mens is in staat om
ons uit zijn hand te rukken. Hijzelf wil ons naar het doel brengen. Willen wij
dat ook?
De tweede bemoediging die onze aandacht nog verdient, staat in Heb. 13:8.
“Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.” Hij die in
staat is geweest al die getuigen van hoofdstuk 11 te doen standhouden, die hun
geloof versterkte en hen bemoedigde, is ook voor ons dezelfde. Een sterkere
aansporing om tot het einde te volharden in de hoop die Gods beloften ons
geven, kunnen we ons niet indenken. Alle getuigen in hoofdstuk 11 hadden van
God een belofte en zij bleven vasthouden aan die belofte. Christus stond hen
bij. Hoe krachtig is Gods woord? Wel, het brengt alles tot stand, het heeft
scheppingskracht (11:3). Gods woord geeft ons hoop op de eeuwige erfenis en wij
zeggen, ‘Ja, ik geloof Gods woord, ik weet zeker dat wat God zegt waar is en
dat Hij zal doen wat Hij beloofd heeft’ (11:1). Dat is het tegenovergestelde
van de nalatigheid die wordt bedoeld in het vers ervoor (10:39). Eén getuigenis
willen we er uitlichten, dat over Henoch (11:5, 6). Hij wandelde met God en
werd weggenomen zonder de dood te zien. Waarom? Omdat hij God welgevallig was
geweest door zijn geloof. Welke specifieke belofte van God hij geloofde, weten
we niet. Hij wandelde ‘eenvoudig’ met God en dat was hem genoeg. Op deze wandel
is Jezus Christus met ons en Hij is eeuwig DEZELFDE.
A.v.E.
Published on Wednesday 4 November 2009 by De redactie