Delen in het lijden van Christus

immers, indien wij delen in Zijn lijden, is dat om ook te delen in Zijn verheerlijking. Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid. die over ons geopenbaard zal worden. (Rom. 8:17,18)

Soms horen we het lijden van Christus uitgelegd worden als het niet kiezen voor je eigen wil. Nu heeft dat enige grond, als we denken aan Gethsemané, maar het lijkt verstandig eerder te denken aan die dingen die Paulus verderop in Romeinen 8 noemt: honger, vervolging, verdrukking, naaktheid, gevaar, het zwaard. Het was voor de Here Jezus een lust om Gods wil te doen. Het was Hem als Zijn spijze, Zijn eten. Eten is het tegenovergestelde van lijden. De Here Jezus was niet ascetisch. Hij hield niet van pijn. Hij was geen geheelonthouder en deed niet aan zelfkastijding. Hij deed altijd wat de Vader behaagde. Dat was Zijn lust en Zijn leven. Als de Bijbel spreekt over deelhebben aan Zijn lijden, gaat het over het dragen van smaad, het verworpen worden. Dat heeft natuurlijk wel verband met Zijn kruisiging, maar ons lijden kan niet met Zijn kruisiging vergeleken worden. Ook de kruisiging was de wil van de Vader, maar was Gods wil in verband met onze verlossing, niet zozeer in verband met de omgang tussen de Vader en de Zoon. Wij kunnen nooit deel hebben aan dat lijden van Christus waardoor Hij de zonde der wereld wegnam. Alleen Zijn bloed brengt verzoening met God. Ook al zouden wij letterlijk gekruisigd worden, het zou niets toevoegen aan de Verlossing.
Door genade hebben we deel gekregen aan de goddelijke natuur (zie 2 Petrus 1) en daarmee aan het zoonschap, de verbondenheid met God de Vader. Ook wij kunnen nu in die liefdesverhouding van Vader en zoon leven. Het is niet meer zo dat onze wil per definitie ingaat tegen Gods wil en dat we daarom onderworpen zijn aan een vorm van voortdurend lijden, een voortdurend zeggen: niet mijn wil, maar Uw wil geschiede. Zelfopoffering is juist natuurlijk geworden, normaal. Gehoorzaamheid hoeft niet per definitie gepaard te gaan met een conflict, een strijd tussen mijn wil en Gods wil. Het punt is, dat we ons vlees tegenkomen, met neigingen die tegengesteld zijn aan Gods wil. Maar we leren om daar op de juiste manier op te reageren. We leren zien dat deze dingen niet meer bij ons horen. En in plaats van aan die neigingen toe te geven, gehoorzamen we aan de Heilige Geest en stellen we onze leden ten dienste van God. Maar dat is niet het lijden van Christus. De manier waarop de Here Jezus door lijden heen gehoorzaamheid heeft geleerd, is uniek. Dat heeft te maken met hoe Hij als Gods Zoon als mens door verzoekingen heen moest, om zodoende “een oorzaak van eeuwig heil” te kunnen worden en bovendien een getrouw en barmhartig Hogepriester die met onze zwakheden kan meevoelen. Het leren van gehoorzaamheid was voor Hem geen wilsconflict met de Vader, maar het aan den lijve leren kennen van de ernstige gevolgen van de zonde, het ervaren van de verdorvenheid van de mens en het antwoord daarop, Zijn er tegenin gaan, Zijn overwinning over de duivel. De Vader heeft Hem gezonden in het vlees aan dat der zonde gelijk, en heeft de zonde zo veroordeeld in dat vlees (Rom. 8).
Uit 1 Petrus blijkt, dat het lijden van Christus vaak te maken heeft met ten onrechte lijden. Mensen doen je kwaad, terwijl je dat niet verdiend hebt; integendeel. De Here Jezus heeft daar uitgebreid over gesproken met Zijn discipelen en hen daar grondig op voorbereid. Het is een belangrijk thema in Mattheüs 5, 10 en 24 en Johannes 14, 15 en 16. En zelfs in Johannes 17 klinkt het door: “Ik heb hun Uw Woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben. Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze.” En het wonderlijke daarin is, dat God boven dat onrecht blijkt te staan en vanuit het ondergaan van het lijden leven tevoorschijn brengt. Wat verlies lijkt voor dit tijdelijke, aardse bestaan, wordt grote geestelijke, eeuwige winst, niet alleen voor degene die dat lijden draagt, maar juist ook voor de naaste.
Delen in het lijden van Christus geeft delen in Zijn verheerlijking. De Here God doet alles meewerken ten goede, dat wil zeggen tot die verheerlijking. Met Christus lijden gaat zoveel dieper dan niet kunnen krijgen wat we graag willen hebben. Ook gaat het zoveel dieper dan worstelen tegen zondige neigingen of slechte karaktereigenschappen. Daar heeft Paulus het hier helemaal niet over. Romeinen 6 maakt duidelijk dat niet kunnen eigenlijk niet willen is. Het gaat hier over dingen waar we misschien nog weinig weet van hebben. Zullen we standhouden als het vuur ons na aan de schenen wordt gelegd? Wie volhardt tot het einde...

H.d.J.


Verschillende visies

Broeder A, B en C delen hun visie over de eindtijd met elkaar. A en B geloven dat alleen een deel van de christenen wordt opgenomen bij de wederkomst. C gelooft dat alle christenen in één keer meegaan. Het wordt een heftige discussie waarin over en weer Bijbelteksten worden geciteerd. Plotseling klinkt er een bazuin. In een oogwenk is broeder C in geen velden of wegen meer te bekennen. A en B blijven een ogenblik beduusd staan. Dan kijken ze elkaar aan, knikken, geven elkaar de hand en zeggen: “We hadden gelijk!”
Moge de Heer mij ervoor bewaren om van het boek Openbaring een verzameling dogma's en doctrines te maken in plaats van de lessen en waarschuwingen erin ter harte te nemen. Ook wil ik niet in de verzoeking vallen om eindeloos bezig te zijn met "eerst komt dit en dan komt dat" en zelfs wil ik niet al te veel bezig zijn met het nieuws te volgen om dat te spiegelen aan wat er in het boek Openbaring beschreven staat. Zo van: "Oei, de VS durven geen duidelijke uitspraak meer te doen over Israël, dus we zijn nu wel heel dicht bij het einde.” Het mag dan waar zijn, maar hoe staat het met mijn geestelijk leven? Hoe helder brandt de kandelaar op de plaats waar ik samenkom met medegelovigen? Staat daar nog wel een kandelaar?

H.d.J.